Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/168
168 Concretisering
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505258:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99, Jur. 2000, p. I-11569, BNB 2003, 169 (Emsland-Stärke).
Het arrest zelf spreekt van ‘op basis van aardappelzetmeel en tarwezetmeel vervaardigde producten’.
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99, Jur. 2000, p. I-11569, BNB 2003, 169 (Emsland-Stärke), r.o. 24.
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99, Jur. 2000, p. I-11569, BNB 2003, 169 (Emsland-Stärke), r.o. 38.
HvJEG 3 maart 1993, zaak C-8/92, Jur. 1993, p. I-00779 (General Milk), r.o. 21.
Verordening (EG, Euratom) Nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PbEG 1995, L312/1).
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99, Jur. 2000, p. I-11569, BNB 2003, 169 (Emsland-Stärke), r.o. 38.
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99 (Emsland-Stärke), r.o. 46-49.
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99 (Emsland-Stärke), r.o. 51.
HvJEG 14 december 2000, zaak C-110/99 (Emsland-Stärke), r.o. 52-54.
Een eerste poging om het misbruikbegrip wat concreter handen en voeten te geven deed het HvJ in de zaak Emsland-Stärke.1 Deze zaak speelde in de context van het Gemeenschappelijke landbouwbeleid van de EU. Emsland-Stärke GmbH, een Duitse vennootschap, exporteerde aardappelgerelateerde producten naar Zwitserland.2 Emsland-Stärke claimde en verkreeg hiervoor een vergoeding op basis van de toenmalige Europese Verordening inzake uitvoerrestituties. Bij later onderzoek door de Duitse douanecontroledienst bleek dat de goederen onmiddellijk na inklaring in Zwitserland in dezelfde staat en met dezelfde vervoermiddelen terug naar Duitsland waren verzonden. Aldaar waren de goederen, na betaling van de desbetreffende invoerrechten, weer ingeklaard voor het vrije verkeer. Bovendien bleek dat de Zwitserse koper een dochtervennootschap was van Emsland-Stärke. De Duitse autoriteiten vorderden vervolgens de betaalde uitvoerrestituties terug van Emsland- Stärke, met het argument dat deze ten onrechte waren verleend omdat de goederen na uitvoer direct weer in de EU waren ingevoerd. De vraag was in essentie of Emsland-Stärke in deze omstandigheden recht had op uitvoerrestitutie onder de desbetreffende verordening. Emsland-Stärke heeft in de prejudiciële procedure betoogd dat er geen basis in het Europese recht kon worden gevonden voor een algemeen geldend verbod van rechtsmisbruik. De terugvordering van de uitvoerrestitutie was volgens haar dan ook in strijd met het wettigheidsbeginsel.3 De Europese Commissie heeft in haar opmerkingen verwezen naar een eerdere vergelijkbare zaak waarin het ging om de invoer van Nieuw-Zeelandse Cheddar-kaas in de EU.4 In die zaak heeft het HvJ overwogen dat indien komt vast te staan dat invoer- en uitvoertransacties slechts zijn verricht met het enkele doel misbruik van de Europese regeling te maken, er geen monetair compenserende bedragen kunnen worden toegepast.5 De Commissie heeft eveneens verwezen naar art. 4 lid 3 van Verordening 2988/95 inzake de bescherming van de financiële belangen van de EG,6 dat luidt:
‘Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, wordt, naar gelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.’
De Commissie kwam tot de conclusie dat dit beding een algemeen rechtsbeginsel weergeeft dat reeds deel uitmaakte van de communautaire rechtsorde, hoewel de rechtspraak van het HvJ het nog niet uitdrukkelijk als zodanig heeft erkend.7 Het HvJ gaat in zijn arrest hierin mee en stelt allereerst vast dat aan alle formele voorwaarden voor het toekennen van uitvoerrestituties aan Emsland-Stärke was voldaan.8
Het HvJ herhaalt zijn eerdere rechtspraak uit het arrest General Milk, dat het feit dat invoer en uitvoer niet in het kader van normale handelstransacties hebben plaatsgevonden, maar uitsluitend met het doel de regeling te misbruiken om een financieel voordeel te behalen, zich tegen de toepassing van monetair compenserende bedragen verzet.9 Dan komt het HvJ voor het eerst met een criterium aan de hand waarvan misbruik van unierecht zou moeten worden beoordeeld:
‘Om te kunnen vaststellen dat het om een misbruik gaat, zijn enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt, dat in weerwil van de formele naleving van de door de gemeenschapsregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt.
Anderzijds is een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door de gemeenschapsregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Het bewijs van dit subjectief element kan met name worden geleverd door aan te tonen dat de exporteur in de Gemeenschap, die de restituties ontvangt, en de importeur van de goederen in het derde land, daarbij hebben samengewerkt.
Het staat aan de nationale rechter het bewijs van het bestaan van deze twee elementen vast te stellen, volgens de bewijsregels van het nationale recht, voor zover deze geen afbreuk doen aan de volle werking van het gemeenschapsrecht. (…)’10