Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/1.3
1.3 Methodologie
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633800:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kestemont & Schoukens 2012, p. 32, 33.
Curry-Sumner e.a. 2010, p. 22 e.v.
Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 39 e.v. en 84 e.v.
Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 39, 40, 84; Kestemont & Schoukens 2012, p. 34, 35.
Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 36.
https://eur-lex.europa.eu/homepage.html voor Europese verdragen, wet- en regelgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De databank Hudoc (Human Rights Documentation) is te raadplegen via de website van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens: https://www.echr.coe.int/Pages/home.aspx?p=home.
De databank Curia is te raadplegen via de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie: https://curia.europa.eu/juris/recherche.jsf?language=nl.
Voor uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als de hoogste algemene bestuursrechter: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/.
De oordelen van het College voor de rechten van de mens en diens voorloper Commissie gelijke behandeling zijn te raadplegen via https://mensenrechten.nl/nl/oordelen.
Kestemont & Schoukens 2012, p. 57 e.v. Pauwels 2009, par. 1.7.
Kestemont & Schoukens 2012, p. 58.
Van Dijck, Snel & Van Golen 2018, p. 90; Kestemont & Schoukens 2012, p. 68; Curry-Sumner e.a. 2010, p. 31.
Stevens 2012, onderdeel 2.3.2 De limitatieve opsomming. De fiscale wetsgeschiedenis verwijst zelfs naar de Dikke van Dale voor een definitie: Kamerstukken II, 2011/12, 33006, nr. 3, p. 23.
De oordelen van het College voor de rechten van de mens en diens voorloper Commissie gelijke behandeling zijn te raadplegen via https://mensenrechten.nl/nl/oordelen.
https://www.ohchr.org/EN/Pages/Home.aspx voor bijvoorbeeld de General Comments van het VN-Mensenrechtencomité.
Voor het onderzoek hanteer ik de klassieke methoden van juridisch onderzoek: onderzoek van verdragen, waaronder mensenrechtelijke instrumenten, wet- en regelgeving en de toelichting daarop, jurisprudentieonderzoek, literatuuronderzoek en rechtsvergelijking. Na een algemene oriëntatie op de bronnen ben ik op zoek gegaan naar bronnen die zich specifiek richten op het onderzoeksonderwerp of een aspect daarvan.1 Dit onderzoek bevat ook een empirische component.2 Zo maak ik gebruik van de antwoorden op vragen die ik in mei 2019, augustus 2019, november 2019 en augustus 2020 heb voorgelegd aan het anbi-team en de kennisgroepen Inkomstenbelasting niet-winst algemeen, Successiewet en Omzetbelasting algemeen van de Belastingdienst. Deze vragen en antwoorden heb ik met toestemming van de Belastingdienst opgenomen in de bij dit proefschrift gevoegde bijlage. Verder heb ik per e-mail vragen gesteld aan koepelorganisaties van rsli’s en aan de Kamer van Koophandel. Omdat het incidentele vragen betrof, heb ik die niet in een afzonderlijke bijlage opgenomen.
De onderzoeksmethode waarvan ik het meest gebruik maak, is literatuuronderzoek, waarbij ik naast Nederlandse literatuur Engelstalige literatuur raadpleeg. Alle hoofdstukken, behalve hoofdstuk 8 Aanbevelingen en hoofdstuk 9 Conclusies zijn grotendeels op deze onderzoeksmethode gebaseerd. Voor literatuuronderzoek heb ik diverse methoden gehanteerd.3 Ik ben gestart met een bronnenonderzoek in digitale databases, zoals Kluwer Navigator, SDU NDFR en de Koninklijke Bibliotheek en heb ook gebruik gemaakt van zoekmachines van google. Vervolgens heb ik via verwijzingen in de gevonden publicaties andere relevante publicaties en gezaghebbende auteurs achterhaald (‘sneeuwbalmethode’).4 Mijn voetnotenapparaat bevat bronvermelding van alle geraadpleegde bronnen waaraan ik interpretaties, argumenten of inzichten heb ontleend.5
Jurisprudentieonderzoek en onderzoek van verdragen en wet- en regelgeving treden vooral naar voren in de hoofdstukken 4, 6 en 7. Daarbij maak ik gebruik van digitale bronnen als de website van de Europese Unie,6Hudoc,7Curia,8rechtspraak.nl, Nederlandse Jurisprudentie (NJ), Kort Geding (KG), Rechtspraak van de Week (RvdW) en raadvanstate.nl.9 Niet in deze databestanden gepubliceerde rechtspraak of een samenvatting daarvan heb ik gevonden in wetenschappelijke tijdschriften, zoals Beslissingen in Belastingzaken (BNB). In hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief gaat het met name om jurisprudentie van het EHRM, HvJEU en de Hoge Raad over de invulling en interpretatie van de onderzochte internationale mensenrechten en nationale grondrechten. In hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling onderzoek ik voor de invulling van het algemeennutbegrip bij rsli’s de Nederlandse rechtspraak van de Hoge Raad en zo nodig van lagere rechtsprekende instanties. In hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s is onderzoek van de uitspraken van de Hoge Raad – en zo nodig van lagere rechtscolleges – van belang voor de invulling en interpretatie van de fiscale regels en faciliteiten voor rsli’s. In mindere mate pas ik jurisprudentieonderzoek toe in Hoofdstuk 2 Begrippen om definities te achterhalen aan de hand van rechterlijke uitspraken van het EHRM, HvJEU, de Hoge Raad en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, alsook aan de hand van oordelen van het College voor de Rechten van de Mens.10
Bij de selectie van de literatuur en jurisprudentie focus ik op de afgelopen twee decennia, maar zo nodig ga ik verder terug in de tijd. Voor het wetgevingsonderzoek raadpleeg ik voor de ratio van een (fiscale) regel of faciliteit in de betreffende wet zo nodig ook de voorlopers van die wet: voor wet- en regelgeving vanaf 1995 via overheid.nl11 en voor wet- en regelgeving tussen 1814-1995 via Staten-Generaal Digitaal.12 Zo bestudeer ik in hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s voor de eredienstuitzondering in de onroerende-zaakbelasting ook de kerkenvrijstelling in de Wet op de grondbelasting 1870 en de Wet op de belasting van de doode hand van 1933 als voorlopers van de onroerende-zaakbelasting in de Gemw en voor de teruggaafregeling in de Wbm ook de Regulerende energiebelasting als voorloper van de energiebelasting in de Wbm.
Het gebruik van vragenlijsten aan het anbi-team en de kennisgroepen van de Belastingdienst is van belang voor hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling en hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s, waar het gaat om de toepassing van bepaalde elementen van de anbi-regeling op rsli’s en andere anbi’s en het gehanteerde beleid inzake de specifieke fiscale regels en faciliteiten voor rsli’s en andere anbi’s in de betreffende heffingswetten. Correspondentie per e-mail met koepelorganisaties van rsli’s en de Kamer van Koophandel heb ik gebruikt voor het achterhalen van informatie voor hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief en voor hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling. Deze correspondentie diende onder meer als bron om het meest recente aantal leden van de grootste rsli’s te achterhalen.
De rechtsvergelijkingsmethode pas ik die toe op drie niveaus:13 (1) interne rechtsvergelijking binnen dezelfde rechtsdiscipline (vergelijking tussen diverse belastinggebieden); (2) interne rechtsvergelijking tussen verschillende rechtsdisciplines (vergelijking van de fiscale rechtspositie van rsli’s met hun rechtspositie in het mensen- en het grondrechtelijke rechtsgebied en in het civiele recht) en (3) externe of internationale rechtsvergelijking (analyse van internationale en Europese verdragen, nationale grondrechten en de jurisprudentie van het EHRM en het HvJEU daarover). Daarnaast maak ik ook gebruik van historische rechtsvergelijking.14
Elementen van interne rechtsvergelijking binnen dezelfde discipline zijn aanwezig in hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s, met name de vergelijking van de fiscale behandeling van natuurlijke personen die te vereenzelvigen zijn met de betreffende rsli in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting.
De interne rechtsvergelijking tussen verschillende rechtsdisciplines, namelijk tussen het belastingrecht enerzijds en het civiele recht en mensen- en grondrechten anderzijds, vindt plaats bij de toetsing in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling en in hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s.
De externe of internationale rechtsvergelijking pas ik toe in hoofdstuk 2 Begrippen waar het gaat om het destilleren van werkdefinities uit internationale, Europese en Nederlandse rechtsbronnen, alsook in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief voor het inventariseren van alle relevante mensen- en grondrechten op universeel, Europees en Nederlands niveau en de vergelijking van de mensen- en grondrechten op die niveaus met elkaar.
Historische rechtsvergelijking komt met name voor in hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s, waar ik onder meer de voorlopers van de eredienstuitzondering vergelijk met die in de huidige regeling van ozb.
Voor het achterhalen van werkdefinities voor dit onderzoek in hoofdstuk 2 Begrippen en het in kaart brengen van het maatschappelijke nut van rsl en het levensbeschouwelijke landschap van Nederland in hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief begeef ik me buiten de rechtswetenschap en maak ik gebruik van de niet-juridische wetenschapsgebieden geschiedenis, filosofie en sociologie als ‘hulpdisciplines’ (multidisciplinaire onderzoeksmethode).15
Omdat de begripsinhoud van de kernbegrippen voor rsl lastig is af te bakenen16 en op niet-juridische wetenschapsgebieden meer onderzoek is verricht naar rsl, raadpleeg ik in hoofdstuk 2 Begrippen voor het formuleren van de werkdefinities voor dit onderzoek naast rechtsbronnen, niet-juridische bronnen, zoals bronnen uit de sociologie, filosofie en theologie. De juridische bronnen bevinden zich op drie niveaus: universeel, Europees en Nederlands. Het gaat om internationale, Europese en Nederlandse wet- en regelgeving, de toelichting in de ontstaansgeschiedenis daarvan, jurisprudentie van internationale, Europese en Nederlandse rechtsprekende instanties en oordelen van het College voor de Rechten van de Mens.17
Voor hoofdstuk 3 Nederlands historisch en maatschappelijk perspectief maak ik voor het in beeld brengen van de rol van rsl in Nederland en het algemeen nut daarvan, gebruik van historische, sociologische en filosofische literatuur en empirische onderzoeken.
Voor het mensenrechtelijke en constitutionele deel van dit onderzoek in hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief raadpleeg ik relevante internationale, Europese en bovenal Nederlandse wet- en regelgeving, de toelichting in de ontstaansgeschiedenis daarvan en jurisprudentie van internationale, Europese en Nederlandse rechtsprekende instanties. De internationale en Europese rechtsbronnen zijn relevant omdat die soms meer bescherming voor de grondrechtsdrager bieden dan de Nederlandse rechtsbronnen. Verder maak ik ook gebruik van digitale bronnen als de website van de Verenigde Naties18 en van de Raad van Europa,19Nederlandrechtsstaat.nl (wetenschappelijk commentaar op de Nederlandse grondwet), mensenrechten.nl, juridische (hand)boeken, dissertaties, wetenschappelijke artikelen en andere vakliteratuur.
Het civielrechtelijke deel van het onderzoek in hoofdstuk 5 Civielrechtelijk perspectief beslaat bronnen als civielrechtelijke wet- en regelgeving, kerkrechtelijke bronnen, civielrechtelijke naslagwerken zoals de Asser-serie, Groene Serie Rechtspersonen en Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, dissertaties, wetenschappelijke artikelen en andere civielrechtelijke en kerkrechtelijke vakliteratuur. Ook raadpleeg ik de site van de Kamer van Koophandel.
Voor het fiscale deel van het onderzoek in hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling en hoofdstuk 7 Fiscaalrechtelijk perspectief – heffingswetten rsli’s en andere anbi’s focus ik op de anbi-regeling, zoals vastgelegd in de AWR, de Uitv.reg. AWR 1994 en door de Belastingdienst gepubliceerd beleid, alsook op de heffingswetten die faciliteiten of specifieke regels voor rsli’s en andere anbi’s bevatten. Voor de toelichting op deze wet- en regelgeving raadpleeg ik de wetsgeschiedenis, de toelichting op door de Belastingdienst gepubliceerd beleid, de site van de Belastingdienst en informatie die de Belastingdienst heeft gegeven in antwoord op vragen die ik via e-mail heb gesteld. Ook onderzoek ik relevante jurisprudentie van de afgelopen twee decennia en zo nodig verder terug in de geschiedenis. Verder dient de correspondentie per e-mail met koepelorganisaties van rsli’s die niet vallen onder het convenant dat het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken met de Belastingdienst heeft gesloten, als bron voor hoofdstuk 6 Fiscaalrechtelijk perspectief – de anbi-regeling om na te gaan of zij een dergelijk convenant hebben gesloten met de Belastingdienst dan wel dat hebben overwogen. Daarnaast maak ik gebruik van fiscaal-juridische naslagwerken, zoals Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Cursus Belastingrecht en NDFR-commentaren, dissertaties, wetenschappelijke artikelen en andere vakliteratuur die in de afgelopen twee decennia zijn verschenen.