25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/37.4:37.4 Procedurele trucs
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/37.4
37.4 Procedurele trucs
Documentgegevens:
prof. mr. A. de Moor-van Vugt, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. A. de Moor-van Vugt
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Oost-Brabant 16 januari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:297.
Rb. Roermond 23 april 2010, ECLI:NL:RBROE:2010:BM2835, onder verwijzing naar ABRvS 30 maart 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AH6812, AB 1999, 310 en ABRvS 2 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5064.
Rb. Oost-Brabant 26 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:3111.
Rb. Noord-Holland 24 juli 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6106.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Burgers beschuldigen overheidsinstanties er wel eens van bewust procedurele complicaties op te werpen om te voorkomen dat zij een bepaald recht kunnen verwerven. Het in de inleiding besproken arrest Hilversumse kleuterschool is daar een sprekend voorbeeld van. Toch zijn er in de rechtspraak, anders dan van de vorige categorie, (gelukkig) niet veel voorbeelden van te vinden.
Een recent voorbeeld deed zich voor bij een aanvraag omgevingsvergunning eerste fase (afwijking bestemmingsplan) voor de uitbreiding van een varkensstal in Lage Mierde. Het college had de beslissing op de aanvraag al op de lange baan geschoven en kreeg dwangsommen wegens niet tijdig beslissen door de rechtbank opgelegd. Uiteindelijk werd de vergunning geweigerd op één enkele grond (strijd met de stalderingsregeling Verordening ruimte Noord-Brabant). Ter zitting gaf het college echter aan dat het zich het recht voorbehield om de beschikking eerste fase ook op andere gronden te weigeren. De rechtbank achtte deze tactiek in strijd met het fair-playbeginsel. Het college had in een keer alle weigeringsgronden moeten opnemen in het besluit.1
Het frustreren van de mogelijkheid om met een woonboot een ligplaats in te nemen, achtte de rechtbank ook in strijd met fair play. Hier speelde een rol dat ten tijde van de aanvraag om een ligplaatsvergunning er géén verbod gold, omdat het college nog geen plaatsen had aangewezen waar een verbod gold. Toch wees het college de aanvraag af. Op verzoek van het college werd de bezwaarprocedure stilgelegd, omdat er beleidsontwikkelingen op dit terrein gaande waren. Het resultaat was dat het aanwijzingsbesluit er kwam en de afwijzing van de aanvraag in bezwaar kon worden gehandhaafd. De rechtbank zag op drie punten strijd met fair play: het onbevoegd nemen van het besluit en de onjuiste voorlichting; het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar; én het in de tussengelegen tijd wijzigen van de toepasselijke regelgeving, in de wetenschap dat de aanvrager een ligplaats wilde én mocht innemen.2 In lijn hiermee achtte de rechtbank schending van het fair-playbeginsel mogelijk als het college, in de verwachting dat het bestemmingsplan ten nadele van betrokkenen zal worden gewijzigd, de beslissing om te gaan handhaven doelbewust en opzettelijk uitstelt tot na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Dat was in de beoordeelde casus echter niet het geval.3
Om het aanpassen van bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar te bevorderen, doet artikel 3.1 lid 4 Wro de bevoegdheid tot invordering van leges in verband met het bestemmingsplan vervallen na tien jaar. De gemeente Edam-Volendam had desondanks leges in rekening gebracht en een betaalverzoek gedaan. Dit laatste had volgens de rechtbank niet gemogen zonder expliciet aan te geven dat de leges niet invorderbaar waren. Door informatie hierover achterwege te laten had de gemeente gehandeld in strijd met het beginsel van fair play.4