De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.3.2:6.3.2 De vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/6.3.2
6.3.2 De vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS385068:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997, nr. 46.
Waarmee wordt gedoeld op ‘een rechtspersoon en degene die en degenen die krachtens de wet en destatuten bij zijn organisatie zij betrokken’.
Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997, nr. 46.
De Jongh 2011, p. 608-618.
De Jongh 2011, p. 608-618.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid is gecodificeerd in artikel 2:8 BW. Het eerste lid van voormeld artikel betreft de aanvullende werking van de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid:
‘Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen doorredelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.’
Wanneer het gedrag van de vennootschapsorganen wordt getoetst aan het eerste lid van artikel 2:8 BW dient een belangenafweging plaats te vinden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen de betrokkenen bij de betreffende gedraging voor ogen heeft gestaan. Het formaat van de vennootschap is een factor die meeweegt bij deze belangenafweging.1
Het tweede lid van artikel 2:8 BW betreft de derogerende werking (ook wel aangeduid als de beperkende of corrigerende werking) van de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid:
‘Een tussen hen2 krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstavenvan redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
Bij toetsing van gedragingen van de vennootschapsorganen aan het tweede lid van artikel 2:8 BW dient de rechter een grote mate van terughoudendheid te betrachten.3
Naast de aanvullende en derogerende werking, komt aan de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid nog een aantal andere effecten toe: de interpreterende werking, de gedragsregulerende werking en de stuwende werking. Terwijl de interpreterende, aanvullende en derogerende werking van de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid zijn afgeleid van het algemene verbintenissen- en overeenkomstenrecht, zijn de gedragsregulerende en stuwende werking puur vennootschapsrechtelijk geaard. Onder de gedragsregulerende werking wordt verstaan dat de actoren binnen het vennootschapsrecht een aanzienlijke mate van handelingsvrijheid genieten, die wordt begrensd door de redelijkheid en billijkheid. Onder de stuwende werking wordt verstaan dat de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid en de daaraan ontleende opvattingen een bron kunnen vormen van ‘soft law’ in bijvoorbeeld ‘governance codes’ of van nieuwe wetgeving.4
Naarmate een andere werking van de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid in het geding is, dient de rechter anders te toetsen. In geval van de interpreterende en aanvullende werking is de rechter gehouden artikel 2:8 BW ambtshalve op de juiste wijze toe te passen. Wanneer het daarentegen de derogerende of gedragsregulerende werking betreft, dient de rechter bij zijn toetsing terughoudendheid te betrachten.5