Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.10
5.10 Nogmaals de ambtshalve aanvulling van feiten
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Commissie ftsink heeft in dit verband terecht ook opgemerkt dat in de parlementaire geschiedenis passages voorkomen waarin de actieve rol van de bestuursrechter wordt beklemtoond, maar dat er ook passages zijn die dit weer relativeren. Zie Commissie Evaluatie Awb BI, Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht 2002-2006 (2007), p. 26.
Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007) en De Graaf, Schuurmans en Tollenaar, `Een nieuw denkmodel voor de feitenvaststelling in beroep?', JBplus 2007/2. Er worden wel verschillen geconstateerd. Zo blijkt de bestuursrechter in sociale zekerheidskwesties actiever dan in andere kwesties.
Zo lijkt ook te worden onderkend in BR 13 november 2009, L1N BB6436.
Zie ABRvS 3 februari 2010, J73 2010/97.
Zie Schuurmans, Bewijslastverdeling in het bestuursrecht. Zorgvuldigheid en bewijsvoering bij beschikkingen (2005), p. 18-19. Vergelijk ook met art. 149 lid 2 Rv dat bepaalt dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag mogen worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en geen bewijs behoeven.
Zie in dit verband de informele descente die wordt genoemd in de zeer grappige noot van Damen bij ABRvS 11 april 2007, AB 2007/153.
Een mooi voorbeeld vormt CRvB 17 december 2008, RSV2009/71, par. 4.4.7. Zie voorts Cmmmelin, Het aanvullen van de rechtsgronden (2007), p. 397-399.
Klap, 'Rechter en bestuur: communicerende vaten of concurrerende machten?', NTB 2007/6, p. 194.
Zoals hiervoor aangegeven heeft de wetgever met de in art. 8:69 lid 3 Awb neergelegde bevoegdheid van de bestuursrechter ambtshalve de feiten aan te vullen materiële waarheidsvinding en ongelijkheidscompensatie beoogd. Met name in het vooronderzoek komen de rechtbank diverse bevoegdheden toe om zoveel mogelijk tot materiële waarheidsvinding te komen met betrekking tot het geschil tussen burger en bestuur. Die ongelijkheidscompensatie is door diezelfde wetgever ook weer gerelativeerd1 en in de praktijk blijkt dat het vooronderzoek veelal niet veel meer behelst dan het opvragen van stukken bij het bestuursorgaan,2 hetgeen veronderstelt dat de feiten-vergaring veelal gebeurt in de bestuurlijke voorfase, waartoe het systeem van de art. 3:2 en 4:2 Awb in verbinding met de art. 3:46 en 7:12 Awb ook alleszins aanleiding biedt. Betekent dit dat art. 8:69 lid 3 Awb in feite een dode letter is? Zeker niet. Net als de aanvulling van rechtsgronden kan de aanvulling van feiten plaatshebben in twee verschillende vormen: zelfstandig feitenonderzoek door de rechter en zijn zelfstandige interpretatie van de feiten die wel door partijen zijn ingeroepen. Uit dit artikellid volgt dat de rechter niet gebonden is aan onweersproken stellingen van partijen omtrent de feiten.3 Bij die zelfstandige interpretatie van het door partijen gepresenteerde feitenmateriaal zal de rechter bovendien in veel gevallen zelf aanvullend feiten inbrengen door zijn uitspraak mede te baseren op ingediende stukken waar partijen zich niet (expliciet) op hebben beroepen,4 op de beantwoording van vragen ter zitting,5 op feiten van algemene bekendheid en ervaringsregels6 en op eventuele eigen kennis van de rechter uit eigen waarneming7 of uit eerdere jurisprudentie.8 In dit verband kan er ook niet aan voorbij worden gegaan dat de mate waarin de rechter is gespecialiseerd van grote invloed zal zijn op de diepgang en breedte waarin de rechter de feiten ambtshalve vaststelt en op die feiten het objectieve recht ambtshalve toepast. Dit ligt in het verlengde van de stelling van Klap9 dat een algemene rechter, zoals de Afdeling, in het algemeen afstandelijker te werk zal (moeten) gaan dan een gespecialiseerde rechter, zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven of de Centrale Raad van Beroep, die vanwege zijn deskundigheid vaak net iets verder kan gaan bij die toetsing (waar al dan niet de zogenoemde bestuurlijke vrijheden in het geding zijn). De mate waarin de rechter invulling geeft aan de plicht tot ambtshalve toepassing van het objectieve recht wordt aldus in belangrijke mate gekleurd door de mate waarin hij in staat is ambtshalve de relevante feiten vast te stellen. In die zin vormen art. 8:69 lid 2 en lid 3 Awb communicerende vaten.