Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/5.2.2
5.2.2 De periode 1848 —1992
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zij konden ook afzonderlijk worden ontlast.
Voor de volledigheid kan nog worden gewezen op een wijziging uit 1966 (Wet van 15 december 1966, Stb. 1966, 564), waardoor de aansprakelijkheid werd uitgebreid tot 'niet of niet tijdig geïnde vorderingen of andere ontvangsten waardoor de gemeente schade heeft geleden'.
Zie bijvoorbeeld Francken (1851), p. 427-435.
Oppenheim-I (1928), p. 143 e.v.
Wet van 30 december 1909, Stb. 1909, 416.
Verder is deze algehele herziening op dit vlak van weinig fundamentele betekenis geweest.
Wet van 2 maart 1966, Stb. 1966, 94.
TK 7226 nr. 3.
Deze commissie is ingesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Zie Commissie-Oud (1959), p. 113 e.v.
De Grondwetsherziening van 1848 en de daarop volgende en geïnspireerde Gemeentewet van 1851 brengen — naast enige fundamentele wijzigingen in de rekeningprocedure — een uniformiteit en helderheid die op zichzelf al worden gezien als een grote verbetering. Op hoofdlijnen ziet de rekeningprocedure er vanaf 1851 als volgt uit. Jaarlijks leggen burgemeester en wethouders verantwoording af aan de raad over het gevoerde fmanciële beheer. Zij doen dit onder overlegging van de rekening. Deze rekening is aan hen afgelegd door de Ontvanger. Hoewel nog steeds van groot belang, lijkt de Ontvanger dus enigszins naar de achtergrond gedrongen. Immers, hij legt inmiddels slechts rekening af aan het college en niet langer rechtstreeks aan de raad. Na de verantwoording stelt de raad de rekening voorlopig vast. De defmitieve vaststelling van de rekening is voorbehouden aan gedeputeerde staten van de betreffende provincie. Deze vaststelling heeft — ten aanzien van de in die rekening verantwoorde bedragen — de décharge van burgemeester, wethouders en Ontvanger tot gevolg.1 Gedeputeerde staten hebben de mogelijkheid uitgaven buiten de rekening te laten, warmeer deze de corresponderende begrotingspost overschrijden of te kwader trouw zijn geboekt op een post waar ze niet thuishoren. Deze uitgaven, waarvoor dus ook geen décharge wordt verleend, worden door middel van een rechtsvervolging verhaald op de burgemeester en de wethouders, voor zover zij aan het doen van deze uitgaven hebben meegewerkt.2
De meest in het oog springende (maar gezien de nieuwe grondwet logische) wijziging is de versterking van de positie van de raad en de ondergeschiktheid van burgemeester en wethouders. De gemeentewet ging echter niet zover dat de rekening door de raad zelf defmitief kon worden vastgesteld. Deze bevoegdheid berustte volgens art. 221 Gemeentewet-1851 bij Gedeputeerde Staten. Tijdens de parlementaire behandeling zijn hierover de nodige vragen gesteld en ook daarna zijn vurige pleidooien gehouden om bij de vaststelling van de gemeentelijke rekening dezelfde systematiek te hanteren die de wetgever voor de vaststelling van de gemeentelijke begroting had ontworpen.3 De begroting werd vastgesteld door de raad, maar behoefde, om te werken, de goedkeuring van gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten oordeelden over de begroting zoals deze was vastgesteld door de raad en konden daarin in beginsel geen wijzigingen aanbrengen. Door Gedeputeerde Staten ten aanzien van de rekening geen goedkeuringsrecht, maar een vaststellingsrecht te verlenen, konden Gedeputeerde Staten zelfstandig wijzigingen in de rekening aanbrengen.
In de literatuur is het met name Oppenheim die zich niet kan verenigen met de vaststelling van de rekening door Gedeputeerde Staten: "Tenzij men de consequentie aandurft, dat de wet ook morgen aan den dag het opmaken der begrootingen den raad uit handen kan nemen, zonder dat hierdoor aan de Grondwet geweld wordt gedaan. Maar wat blijft er dan over van de vrijheid van regeling en bestuur, die art. 1441e lid der Grondwet laat klinken boven alles uit?4
Een tweede belangrijke wijziging is de persoonlijke, die zich vanaf 1851 niet langer uitsluitend beperkt tot de Ontvanger, maar zich ook uitstrekt tot de burgemeester en de wethouders. De persoonlijke aansprakelijkheid is in de loop van de jaren verder aangescherpt. Zo is de décharge in 1909 enigszins voorwaardelijk ("behoudens later in rechten gebleken valschheid in bewijsstukken") geworden5 en is deze voorwaardelijkheid bij de algehele gemeentewetsherziening van 1931 verruimd met "later in rechte gebleken valschheid in bewijsstukken, of andere onregelmatigheden (curs. WvdW)."6 Op deze laatste wijzigingen zal hieronder nog uitgebreid worden ingegaan.
In 1966 wordt de positie van de Ontvanger minder exclusief.7 In de gemeentewet wordt het de raad, onder goedkeuring van gedeputeerde staten, mogelijk gemaakt de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer van de gemeente naar eigen inzicht in te richten. De verplichting van de Ontvanger om rekening af te leggen aan het college bleef overigens bestaan, met dien verstande dat de gemeenteraad kon bepalen dat deze taken zouden worden overgenomen door een op grond van art. 127a Gemeentewet aan te wijzen ambtenaar. Een Ontvanger is in deze inrichting dus niet langer noodzakelijk. Blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel8 heeft de wetgever hiermee grotendeels aansluiting gezocht bij de bevindingen van de Commissie herziening gemeentewet,9 die voorstelde de figuur van de Ontvanger facultatief te maken.