Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.6.3
6.6.3 Opmaat naar de nieuwe Pw
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687252:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies van 18 mei 2001, Nieuwe Pensioenwet, nummer 2001/06, p. 128.
Regioplan Onderzoek Advies en Informatie, Evaluatie medezeggenschap gepensioneerden (eindrapport), juli 2001, p. 23, p. 25 en p. 34. E. Lutjens, ‘Medezeggenschap gepensioneerden en gelijkstelling geregistreerde partners met gehuwden, weer een wetsvoorstel tot wijziging van de PSW’, P&P juli/augustus 1999, p. 28, verzuchtte dan ook dat bestuursdeelname door gepensioneerden veelal een utopie was.
Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 3.
Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 2. Werknemers en gepensioneerden dienden evenredig te zijn vertegenwoordigd, werknemers moesten ten minste evenveel zetels bezetten als de werkgever(s). Later gewijzigd in die zin dat werknemers en gepensioneerden samen evenveel zetels bezetten als de werkgever(s): Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 8. W. van Heest, ‘Gewijzigd wetsvoorstel bestuursstructuur pensioenfondsen, initiatief aan het wankelen?’, P&P 2003/6, p. 13, noemde die wijziging de opoffering van de doorbreking van de heilig verklaarde pariteit aan het behoud van een wettelijk recht op bestuursdeelname. Ook E. Lutjens, ‘Gepensioneerden in pensioenfondsbestuur?’, P&P 2002/6 had bezwaren tegen doorbreking van de pariteit uit angst voor ondermijning van het sociale evenwicht in het bestuur door een minderheidspositie van de werkgever.
Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 3, p. 11; Kamerstukken II 2003/04, 28354, nr. 8, p. 28. Ook werd genoemd dat een andere verdeelsleutel voor zetels nodig zou zijn, omdat zij bij evenredige vertegenwoordiging oververtegenwoordigd zouden zijn ten opzichte van werknemers en gepensioneerden, Kamerstukken II 2005/06, 28354, nr. 14, p. 16.
Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 9. Die dubbeling was immers al het geval voor werknemers: Kamerstukken II 2003/04, 28354, nr. 8, p. 16.
Kritisch over dit instemmingsrecht onder meer: R.M. Beltzer en R. Biezeveld, De pensioenvoorziening als bindmiddel, Amsterdam: Uitgeverij Aksant 2004, p. 245-246.
P.M.C. de Lange, ‘De rechtsvorm van de pensioenuitvoerder’, NJB 1997/39, p. 1798-1803; P.M.C. de Lange, Subjectief Pensioenrecht, inaugurele rede Nijmegen van 3 februari 1999, p. 25-36; R.M. Beltzer en R. Biezeveld, De pensioenvoorziening als bindmiddel, Amsterdam: Uitgeverij Aksant 2004, p. 231-237; vergelijk P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 283-284; W. Rutten en S.R. Schuit, ‘Tien governance problemen bij het opf’, in: R.H. Maatman e.a. (red.), Onderneming en Pensioen, Deventer: Kluwer 2011, p. 222-224, pleitten voor omzetting naar coöperaties of verenigingen teneinde ex-werknemers een stemrecht te kunnen geven. Kritisch: T.J. van der Ploeg, ‘De rechtsvorm en de bestuurlijke organisatie van pensioenfondsen’, TPV 2005, p. 4-15 en F.H.W. Brouwer, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen en -regelingen’, TPV juni 2001/3, p. 68. Ook de regering toonde zich later om meerdere redenen tegenstander van de onderlinge waarborgmaatschappij als rechtsvorm voor pensioenfondsen (Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 29) en besloot zelfs tot het wettelijk verplichten van de stichtingsvorm (Kamerstukken II 2014/15, 34117, nr. 2).
Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 6.
Kamerstukken II 2003/04, 28354, nr. 8, p. 14; A.T.J.M. Jacobs, Pensioenrecht, de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten, Deventer: Kluwer 2007, p. 168.
W. van Heest, ‘Wetsvoorstel bestuursstructuur pensioenfondsen: driemaal scheepsrecht?’, P&P 2002/10, p. 10; A.T.J.M. Jacobs, ‘De nieuwe Pensioenwet – veel consolidatie, weinig vernieuwing’, SMA 2006/9, p. 370. Dit ondanks het feit dat Lutjens het verzet van de STAR betitelde als achterhoedegevecht: E. Lutjens, ‘Vergrijzing is een feest, ook voor juristen’, in: Visies op vergrijzing, bijlage bij het Jaarverslag 2003 van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen, p. 19.
Kamerstukken II 2001/02, 28294, nr. 1, p. 9-10.
W. van Heest, ‘Gewijzigd wetsvoorstel bestuursstructuur pensioenfondsen, initiatief aan het wankelen?’, P&P 2003/6, p. 14.
Vernieuwd convenant tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO, gericht op een kwalitatieve verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen, februari 2003, publicatienr. 2/03.
Kamerstukken II 2002/03, 28978, nr. 3, p. 9-10. Aanwijzing van verenigingen die niet hoeven te voldoen aan representativiteitseisen Pensioen- en spaarfondsenwet, regeling van 9 januari 2004, Stcrt. 2004, 25, later verlengd tot 1 januari 2009 via artikel 3 Regeling Pw. Kamerstukken II 2009/10, 28294, nr. 37, p. 11, kondigde aan de aanwijzing voor onbepaalde tijd te verlengen, maar die noodzaak verviel uiteindelijk door invoering van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.
R.H. Maatman, ‘Pension fund governance’, Ondernemingsrecht 2004/173.
Kamerstukken II 2004/05, 28294, 9 (bijlage).
Kamerstukken II 2005/06, 28294, nr. 12. Het rapport adresseerde ook kort de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling voor goed pensioenfondsbestuur uit juli 2002, die onder andere zagen op scheiding van uitvoering en toezicht.
STAR Principes voor goed pensioenfondsbestuur, december 2005, publicatienr. 10/05. Later wettelijke grondslag gegeven middels artikel 11 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, Stb. 2006, 709.
Ik merk op dat de terminologie ten aanzien van gepensioneerden met de invoering van de Pw in 2007 is veranderd. De Pw verstaat onder ‘gepensioneerden’ alleen nog maar personen met een ouderdomspensioen, terwijl personen met een ouderdoms-, nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidspensioen worden aangeduid als ‘pensioengerechtigden’. Gemakshalve spreek ik hierna desondanks over ‘gepensioneerden’.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 80 en p. 82-83.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 80; vergelijk E. Lutjens, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, S&V 1990, p. 11.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 243. C.J. Kraaiveld, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TVVS 1990/5, p. 115 en ook F.H.W. Brouwer, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen en -regelingen’, TPV juni 2001/3, p. 66, meenden dat de werkgever er niet onder viel, terwijl uit de wetsgeschiedenis het tegendeel bleek: Kamerstukken I 1988/89, 19008, nr. 253c, p. 3. R. ten Wolde, ‘De Principes: nieuwe organen, tegen oude aangeplakt!’, TPV 2006/1, wees erop dat STAR Principe A5 de (ex-)werkgever aanmerkte als belanghebbende, terwijl dat volgens hem niet duidelijk uit de PSW bleek. Rb. Amsterdam 14 juli 2004, PJ 2004/100, m.nt. E. Lutjens (Werknemers/Pensioenfonds Vliegend Personeel der KLM en Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers) meende dat uit de wetsgeschiedenis duidelijk bleek dat de werkgever er wél onder viel. Zo meende ook E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 90. Opmerkelijk is overigens dat de huidige wettekst spreekt over ‘werkgever’ en niet ook over ‘ex-werkgever’, terwijl dat onderscheid wel wordt gemaakt voor deelnemers. Uit niets blijkt echter dat met ‘werkgever’ niet ook de ‘ex-werkgever’ is bedoeld.
Research voor beleid, Tussenevaluatie medezeggenschap gepensioneerden, oktober 2005, p. 7-11.
Kritisch over het klakkeloos overnemen van dit onderscheid tussen bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen in wetgeving: R. ten Wolde, ‘Waarom geen gepensioneerden in de besturen van bedrijfstakpensioenfondsen?’, TPV 2007/38.
Kamerstukken II 2007/08, 31226, nr. 7, p. 11, Handelingen II 2005/06, 30413, nr. 62, p. 35. Over de onduidelijkheid ten aanzien van voordrachten door verenigingen zie L.H. Blom, ‘Evaluatie PFG en medezeggenschap van start’, P&P 2008/10, p. 25. Daarnaast riep deze formulering nog wel meer vragen op: L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 794-795.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 25, p. 12-16. Volgens Principe B2 van de STAR Principes kon het bestuur ervoor kiezen dat ook slapers vertegenwoordigd waren.
Het advies van de SER in 2001 over de Nieuwe Pensioenwet bracht weinig vernieuwing en stelde slechts voor in de wet vast te leggen hoe vertegenwoordigers van gepensioneerden (en overigens ook van werknemers) in een ondernemingspensioenfonds dienden te worden gekozen.1 Voor gepensioneerden zou dat moeten via verkiezingen of door vertegenwoordigers van gepensioneerden in de deelnemersraad, aldus het advies. Datzelfde jaar vond een evaluatie plaats van het convenant van de STAR en CSO uit 1998. Hieruit bleek dat voor 84% van de gepensioneerden bij ondernemingspensioenfondsen een deelnemersraad was of een vertegenwoordiging in het bestuur. Bij bedrijfstakpensioenfondsen (waar de meerderheid van de gepensioneerden zich bevond) was 88% van de gepensioneerden vertegenwoordigd in een deelnemersraad en was er bij slechts 1% sprake van vertegenwoordiging in het bestuur, welk laatste percentage werd veroorzaakt doordat het convenant zich bij bedrijfstakpensioenfondsen richtte op deelnemersraden.2 Uit ander onderzoek bleek weer dat veel gepensioneerden in besturen werden voorgedragen door werknemers en OR’en en daardoor moeilijk als echte vertegenwoordigers konden worden gezien.3
Aangezien de evaluatie aantoonde dat er nog veel ruimte was voor verbetering, kwam Tweede Kamerlid Giskes (later samen met Van Geen) met een wetsvoorstel dat beoogde gepensioneerden een afdwingbaar recht te geven op vertegenwoordiging in pensioenfondsbesturen, met doorbreking van de pariteit.4 Pensioenfondsen werden de vrijheid gegeven eventueel ook slapers op te nemen in het bestuur. Opnieuw werden voor deze vrijblijvendheid bij slapers met name praktische redenen aangevoerd: ze zijn niet of nauwelijks georganiseerd, van een deel van hen zijn de adressen niet bekend en zij worden bij toeslagen toch al hetzelfde behandeld als gepensioneerden.5 Naast de bestuursdeelname beoogde het wetsvoorstel deelnemersraden verplicht te stellen bij bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen indien verzocht door ten minste 1% (of, als dat minder is, 250) van de belanghebbenden bij het pensioenfonds. De bestaande drempel van 5% werd te hoog geacht. Hiermee werd bewust zowel zeggenschap (uitvoering) als medezeggenschap (controle) door gepensioneerden beoogd.6 Tot slot kreeg de deelnemersraad een aantal instemmingsrechten toegekend op bestuursbesluiten, met de mogelijkheid van beroep bij de OK.7 De indiener van het wetsvoorstel hintte nog op de mogelijkheid om een andere rechtsvorm voor pensioenfondsen voor te schrijven die de inspraak van werknemers en ex-werknemers beter zou waarborgen, zoals de onderlinge waarborgmaatschappij.8 Hiervoor zijn in de literatuur9 meermaals wel stemmen opgegaan, maar Giskes vond een dergelijke ingreep te ver gaan.
Hoewel de Raad van State zich op onderdelen kritisch uitliet over het wetsvoorstel, steunde het een wettelijke verplichting tot deelname door gepensioneerden in het bestuur,10 dit in tegenstelling tot de STAR die zich tegen verplichte deelname keerde.11 Het standpunt van de STAR was, naast meer fundamentele bezwaren, ingegeven door de doorkruising van de initiatiefwet met een vernieuwd medezeggenschapsconvenant. Gezien de waarde die de regering toekende aan het vorige medezeggenschapsconvenant uit 1998, deed deze kritiek – naar later bleek terecht – vrezen voor het lot van het wetsvoorstel.12 Het wetsvoorstel, na enige tijd overgenomen door D66-Kamerlid Bakker, sleepte zich hierdoor een aantal jaren voort en begon daardoor parallel te lopen aan de plannen voor de nieuwe Pw en het nieuwe medezeggenschapsconvenant. In april 2002 stuurde het kabinet de Hoofdlijnen voor een nieuwe Pw naar de Kamer. Daarin stond wat (mede)zeggenschap betreft dat de verwachting was dat de convenantspartijen STAR en CSO er zelf in zouden slagen een verbeterslag te maken. Pas als dat niet het geval zou zijn, zou overwogen worden wettelijk een verplichting op te nemen tot het instellen van een deelnemersraad of bestuursparticipatie van gepensioneerden.13 Later datzelfde jaar legde toenmalig staatssecretaris Rutte een deadline op aan de convenantspartijen: 1 januari 2003.14
Het nieuwe medezeggenschapconvenant van de STAR en CSO volgde op de valreep in februari 2003.15 De inhoud daarvan was voor het merendeel gelijk aan het vorige convenant uit 1998. Gepensioneerdenorganisaties binnen CSO verzetten zich er daarom tegen en pleitten voor een verdergaande wettelijke regeling, maar uiteindelijk ging de meerderheid van het CSO-bestuur toch akkoord.16 Het convenant bevatte enkele kleine aanpassingen zoals een zogeheten ‘verzwaard adviesrecht’ voor de deelneamersraad bij overname of liquidatie van het pensioenfonds, wat vervolgens door de wetgever al snel tot wet werd verheven middels een beroepsrecht voor geledingen van de deelnemersraad (zoals gepensioneerden) in het geval van deze besluiten; het latere artikel 218 Pw. Ook werd op verzoek het structureel mogelijk gemaakt CSO uit te zonderen van de representativiteitsvereisten die golden voor verenigingen bij bedrijfstakpensioenfondsen, zij het met de toezegging van CSO om de oprichting van verenigingen van gepensioneerden te bevorderen.17 De voornaamste afspraak van het convenant was echter dat als bij de evaluatie in 2005 zou blijken dat minder dan 65% van de pensioenfondsen (mede)zeggenschap kende door gepensioneerden, de convenantspartijen de regering zouden verzoeken dwingende wetgeving in te voeren.
Meer zelfregulering volgde snel onder de vlag van wat in goed Nederlands ‘pension fund governance’ is gaan heten. In 2004 achtereenvolgens de Aanbevelingen voor goed pensioenfondsbestuur van de Stichting Ondernemingspensioenfondsen, die niet ingingen op (mede)zeggenschap, en een (concept) corporate governance code van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen, welke code onder meer stelde dat bedrijfstakpensioenfondsen een orgaan zouden moeten instellen waaraan het bestuur verantwoording ging afleggen, een ‘college van belanghebbenden’.18 Dit college zou gaan bestaan uit vertegenwoordigers van werkgever, werknemers en gewezen deelnemers. In hetzelfde jaar verscheen een door de regering verzocht rapport met aanbevelingen voor ‘pension fund governance’,19 vroeg toenmalig minister De Geus aan de STAR een aanpak hiervoor op te stellen20 en vroeg hij aan de Tweede Kamer om met het wetsvoorstel Bakker niet vooruit te lopen op de uitkomst van die aanpak en op de uitkomst van de evaluatie van het medezeggenschapsconvenant in 2005.21 De principes van de STAR volgden in 2005,22 wat vervolgens voor de minister reden was om het wetsvoorstel Bakker overbodig te verklaren.23 Bakker verdedigde zich met de stelling dat de bovengenoemde initiatieven tot goed pensioenfondsbestuur uiteraard lovenswaardig waren, maar zich richtten op kwesties als functioneren van het bestuur en intern toezicht, en niet op de bestuurssamenstelling.24 Daar had hij een terecht punt; ook de STAR Principes parkeerden blijkens hoofdstuk 3 een nadere visie op de (mede)zeggenschap tot het moment van evaluatie in 2008.
Het wetsvoorstel voor de Pw bracht geen radicale hervorming ten aanzien van de (mede)zeggenschap van gepensioneerden25, maar eerder een technische herziening. De deelnemersraad kreeg een aantal extraadviesgronden ten aanzien van voorgenomen besluiten, het klachtrecht sneuvelde wegens beperkt gebruik en het vervallen van de noodzaak ervan door het beroepsrecht bij de OK.26 Ook werd de onder de PSW bestaande rariteit dat vrijwillig ingestelde deelnemersraden niet altijd dezelfde rechten hadden als verplicht ingestelde deelnemersraden opgeheven.27 Daarnaast werd in de wettekst van artikel 105 lid 2 Pw uitgewerkt wie de belanghebbenden waren ten aanzien van wie de evenwichtige belangenbehartiging gold; meer specifiek werd verduidelijkt dat daar ook de (ex-)werkgever onder viel, aangezien daarover discussie bestond.28
Blijkens de (tussen)evaluatie van het medezeggenschapsconvenant in 200529 had 71% van de bedrijfstakpensioenfondsen een deelnemersraad waarvan 39% voldeed aan de vereisten van het convenant, zoals evenredigheid van deelnemers en gepensioneerden. Van de ondernemingspensioenfondsen had 74% een deelnemersraad of bestuursdeelname, waarvan 40% voldeed aan de vereisten van het convenant. Vaak was er geen evenredige zetelverdeling en in geval van bestuursdeelname waren gepensioneerden niet voorgedragen door (organisaties van) gepensioneerden.30 In mei 2007 volgde daarom een verzoek van de STAR en CSO om het medezeggenschapsconvenant wettelijk te verankeren, waaraan de regering gehoor gaf in de derde nota van wijziging van de Pw.31 Kort gezegd kwam daarmee dus in de wet te staan dat een bedrijfstakpensioenfonds een deelnemersraad diende te hebben (het toenmalige artikel 109 Pw) en kwam er bij ondernemingspensioenfondsen de keuze via een raadpleging tussen bestuursdeelname of deelnemersraad (het toenmalige artikel 100 Pw en artikel 110 Pw).32 In het toenmalige artikel 101 Pw kwam te staan dat de bestuurszetels tussen werknemers en gepensioneerden bij een ondernemingspensioenfonds op basis van onderlinge getalsverhoudingen werden verdeeld. Vanaf het moment dat het aantal werknemers minder dan 10% bedroeg, was het mogelijk dat gepensioneerden meer zetels hadden dan werknemers. Gepensioneerden konden minder zetels hebben dan op basis van onderlinge getalsverhoudingen als via raadpleging was gekozen voor een deelnemersraad, terwijl er al bestuursparticipatie was van gepensioneerden.33 Gepensioneerden in het bestuur van het ondernemingspensioenfonds dienden op grond van het toenmalige artikel 101 lid 4 Pw te worden gekozen ‘door en uit’ de gepensioneerden van het betreffende pensioenfonds.34 In het toenmalige artikel 33 Pw kreeg het verantwoordingsorgaan een plek, inclusief het daarbij horende recht van enquête uit de STAR-Principes. Werkgever, werknemers en gepensioneerden dienden in het verantwoordingsorgaan vertegenwoordigd te zijn.35 Verdere wijzigingen van de (mede)zeggenschap werden in de ijskast gezet tot evaluatie van de STAR Principes en het medezeggenschapsconvenant in 2008.36 Het amendement De Wit, dat een recht op bestuursparticipatie aan gepensioneerden wilde toekennen, sneuvelde.37