Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.6.2
6.6.2 Het beperkte succes van de deelnemersraad
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687294:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
B.P.M. Claassen en C. van der Werf, Evaluatie regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen, Den Haag: Vuga Uitgeverij 1996.
V.M.C. van Geen en T. Jansen, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1997/2, p. 30.
V.M.C. van Geen en T. Jansen, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1997/2, p. 32. Ook Bod achtte het onafwendbaar dat vertegenwoordigers van alle belanghebbenden in het bestuur plaats zouden kunnen nemen, zij het dat hij niet pleitte voor aparte bestuurszetels voor gepensioneerden en slapers, maar voor zetels namens alle belanghebbenden: Th.L.J. Bod, Het juridische kader van pensioen, Preadvies voor de ledenvergadering van Vereniging voor Pensioenrecht gehouden op 26 maart 1996 te Nieuwegein, Deventer: Kluwer 1996, p. 27 en p. 42; Th.L.J. Bod, ‘De autonomie van de pensioenregeling en van de uitvoering daarvan door het pensioenfonds’, in: CSO, Onverdeeld vermogen, inkomen en vermogen van ouderen en medezeggenschap bij pensioenfondsen, Utrecht: Uitgeverij SWP 1996, p. 50.
Convenant overeengekomen tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen, juni 1998, publicatienr. 2/98.
Kamerstukken II 1997/98, 24615, nr. 81a, p. 6-7.
In de praktijk bleek dat de Verzekeringskamer een actief kiesrecht van gepensioneerden blokkeerde, inclusief benoemingsrechten door de voltallige deelnemersraad (dus inclusief ex-werknemers): G.A.M. Kramer, ‘Drie jaar medezeggenschap bij pensioenfondsen’, TPV 1993/4, p. 70-71; W.A. van Zelst, Pensioen- en spaarfondsenwet, Deventer: Uitgeverij Fed 1995, p. 37.
Kamerstukken II 1999/2000, 26674, nr. 6, p. 3. M.B. de Haas, Pensioenfondsen in zwaar weer, Deventer: Kluwer 2004, p. 88, stelt dat door gepensioneerden voor pariteit te rekenen tot de werknemersgeleding hun invloed beperkt bleef.
Aanwijzing van verenigingen die niet aan representativiteitseisen Pensioen- en Spaarfondsenwet hoeven te voldoen, regeling van 28 juni 2000, Stcrt. 2000, 124.
Uitgebreid over de procesbevoegdheden van de deelnemersraad: E. Lutjens, ‘Medezeggenschap gepensioneerden en gelijkstelling geregistreerde partners met gehuwden, weer een wetsvoorstel tot wijziging van de PSW’, P&P juli/augustus 1999, p. 26-27; E.J. Henrichs, ‘Medezeggenschap bij pensioenfondsen’, SR 2000/11, p. 340-341; H.A.N.J. Crauwels, ‘Modernisering van de medezeggenschap in pensioenregelingen’, ArbeidsRecht 2000/50; V. Gerlach, ‘De procederende deelnemersraad’, TRA 2012/25; M.W. Minnaard, ‘Het beroepsrecht van deelnemersraden: 13 jaar, 11 uitspraken’, TPV 2013/38. Minnaard concludeert terecht dat beroepsprocedures in de praktijk een zeldzaamheid zijn gebleken.
Kamerstukken II 1998/99, 26674, B, p. 2-3.
Kamerstukken II 1998/99, 26674, nr. 3, p. 6; Kamerstukken II 1998/99, 26674, B, p. 5; Kamerstukken II 1999/2000, 26674, nr. 6, p. 4; Kamerstukken II 1999/2000, 26674, nr. 14, p. 1-2. E. Lutjens, ‘Medezeggenschap gepensioneerden en gelijkstelling geregistreerde partners met gehuwden, weer een wetsvoorstel tot wijziging van de PSW’, P&P juli/augustus 1999, p. 26, vreesde dat de deelnemersraad zich een oneindige rechtsingang kon verschaffen.
Kamerstukken II 1998/99, 26674, nr. 3, p. 8. Van het klachtrecht werd in de praktijk weinig gebruikgemaakt: P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 307.
Uit de evaluatie van de Wet regeling medezeggenschap bij pensioenfondsen in 1996 bleek dat weinig vooruitgang was geboekt in de versteviging van de (mede)zeggenschap van gepensioneerden.1 Bij slechts een vijfde van de pensioenfondsen was een deelnemersraad aanwezig, waarvan ook nog maar in iets van de helft van de gevallen gepensioneerden zitting hadden. Bij ongeveer een derde van de pensioenfondsen was er een algemene deelnemersvergadering die toegankelijk was voor gepensioneerden of was er de mogelijkheid dat zij invloed konden uitoefenen op de bestuursbenoeming. Als redenen voor de moeizame voortgang werden onder meer genoemd het ontbreken van interesse onder gepensioneerden, de geringe mate van invloed van deelnemersraden, de tekortkomingen van het klachtrecht (onder andere vanwege de afwezigheid van sancties als de klacht werd gehonoreerd) en de 5%-grens die met name bij grote pensioenfondsen moeilijk haalbaar was. De CSO betwistte overigens het gebrek aan interesse en stelde dat oprichting veelal bemoeilijkt werd door de pensioenfondsen zelf, die niet wilden meewerken aan het verschaffen van adressen van gepensioneerden met een beroep op bescherming van persoonsgegevens.2
Na de evaluatie werd in de literatuur gepleit voor renovatie van de (mede)zeggenschap en – kort gezegd – bestuurszetels voor gepensioneerden en slapers.3 Toenmalig staatssecretaris De Grave meende, gelet op de evaluatie, dat overwogen diende te worden de deelnemersraad af te schaffen, te vervangen door een jaarvergadering, en ex-werknemers een plek in het pensioenfondsbestuur te geven binnen de werknemersgeleding.4 Een volledige draai ten opzichte van het regeringsstandpunt tien jaar daarvoor, en zonder kenbare motivering waarom de toenmalige fundamentele bezwaren kennelijk niet meer opgingen. Hoe dan ook werd het standpunt van De Grave goed ontvangen in de Tweede Kamer en werd de staatssecretaris gevraagd in te gaan op het verzoek van de STAR en CSO om advies te geven.5 Dit resulteerde in juni 1998 in een convenant tussen de STAR en CSO voor de verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden.6 In het convenant werden de bij bedrijfstakpensioenfondsen betrokken partijen opgeroepen – daar waar nog niet aanwezig – zelf deelnemersraden op te richten. Partijen bij ondernemingspensioenfondsen die nog geen deelnemersraad en bestuursparticipatie van gepensioneerden kenden, werden opgeroepen alsnog een van beide of beide vormen van (mede)zeggenschap van gepensioneerden te realiseren. De STAR en CSO waren tegen dwingende wetgeving op dit vlak, bij welk standpunt de staatssecretaris zich neerlegde.7 Wel pleitte het convenant voor enige ondersteunende wetgeving, in het bijzonder ten aanzien van het mogelijk maken dat gepensioneerden een actief kiesrecht kregen voor leden van de werknemersgeleding,8 de introductie van een beroepsrecht bij de OK voor de deelnemersraad in het kader van zijn adviesbevoegdheden en een verbod op leeftijdsdiscriminatie bij bestuursbenoemingen.
De regering gaf gevolg aan het verzoek van de convenantspartijen met een wijziging van de PSW waarin deze drie elementen centraal stonden.9 De wet ging niet alleen ruimte bieden aan de mogelijkheid van een bestuurszetel voor gepensioneerden, maar ook voor andere belanghebbenden zoals slapers. Deze zetels waren geen onderdeel meer van de werknemersgeleding, behalve voor het bepalen van de vraag of voldaan werd aan de pariteitsvereisten, welke vereisten gehandhaafd bleven om de (financiële) belangen van werkgevers te beschermen.10 Net als voor ondernemingspensioenfondsen al gold, werd voor bedrijfstakpensioenfondsen het voorschrift opgenomen dat de zetels in de deelnemersraad evenredig moesten worden verdeeld over werknemers en gepensioneerden, om zo over- of ondervertegenwoordiging van een van deze groepen te voorkomen. Daarnaast werd de mogelijkheid geïntroduceerd voor bedrijfstakpensioenfondsen om verkiezingen te houden voor hun deelnemersraad, iets wat de wet al toestond voor ondernemingspensioenfondsen.11 Verkiezingen dienden plaats te vinden binnen geledingen: werknemers kiezen werknemers, gepensioneerden gepensioneerden, en slapers slapers. Indien bij het bedrijfstakpensioenfonds geen verkiezingen plaatsvonden, dienden de zetels verdeeld te worden over de verenigingen van werknemers en gepensioneerden, evenredig aan hun ledenaantallen. Om te voorkomen dat zich bij bedrijfstakpensioenfondsen willekeurige verenigingen zouden melden, werden enkele representativiteitseisen voor verenigingen opgenomen (lid moesten zijn ten minste 1% van het aantal belanghebbenden, dan wel, indien dat aantal meer was dan 25.000, ten minste 250 belanghebbenden). Tot 1 januari 2001 kreeg de minister de mogelijkheid verenigingen aan te wijzen die hieraan niet hoefden te voldoen, om op die manier de CSO uit te zonderen.12
De wet ging relatief geruisloos door het parlement, voornaamste punt van discussie was de procesbevoegdheid van de deelnemersraad.13 De Raad van State keerde zich tegen het beroepsrecht bij de OK, met name omdat er hier sprake zou zijn van dubbele invloed van werknemers en ex-werknemers: én zeggenschap én medezeggenschap. Men zou dus in beroep kunnen gaan tegen besluiten waar zelf aan is meegewerkt, wat zou leiden tot frustratie van het besluitvormingsproces.14 De regering meende dat de kans op een dergelijke frustratie klein was, onder meer omdat de personen in de deelnemersraad doorgaans andere personen waren dan de bestuursleden. Een ander punt van discussie was of de deelnemersraad ook een beroepsrecht diende te hebben in geval van uit eigen beweging gegeven advies. De regering was hier tegen,15 maar het amendement Schimmel maakte het toch mogelijk.16 Het klachtrecht van de deelnemersraad, of minderheden daarvan vanaf 10%, bleef overigens gehandhaafd als alternatief voor het beroepsrecht, met name om minderheden tegemoet te komen die door de meerderheid zouden kunnen worden overstemd.17