Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.2.4:10.2.2.4 Vermoedens als tegenbewijsmiddel van de boeteling
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.2.2.4
10.2.2.4 Vermoedens als tegenbewijsmiddel van de boeteling
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940769:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.3.7.4.2.
Zie hierover nader paragraaf 13.3.5.2. Zie ook paragraaf 10.2.1 hiervoor.
HR 29 februari 2008, V-N 2008/12.10, BNB 2008/156, NTFR 2008/441. Zie daaromtrent nader paragraaf 9.3.4.2.
HR 29 februari 2008, V-N 2008/12.10, BNB 2008/156, NTFR 2008/441, r.o. 3.5.3 (het ging daar overigens om de invulling van het begrip kwade trouw ex art. 16 lid 1 AWR).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de boeteling kan zich uiteraard bedienen van vermoedens. Wat betreft de centrale stellingen zal het dan gaan om het leveren van tegenbewijs. Voor dat doel zijn vermoedens bij uitstek geschikt, omdat de hiervoor genoemde bezwaren tegen het gebruik van vermoedens (zoals de inherente onzekerheid) daarvoor niet of nauwelijks gelden. De stellingen van de inspecteur kunnen bijvoorbeeld onderuit worden gehaald door stellingen die zelf niet aan die gradatie voldoen, maar bijvoorbeeld wel de betrouwbaarheid van de gebruikte bewijsmiddelen ter discussie stellen of op een andere gang van zaken wijzen.1 Ook (of beter gezegd: juist) als de inspecteur een centrale stelling in eerste instantie ‘beyond reasonable doubt’ heeft bewezen, kunnen vermoedens van de boeteling zoveel twijfel zaaien, dat de aanvankelijk gehaalde bewijsgradatie geen stand meer houdt.
Zelfs wanneer de inspecteur een vermoeden heeft gebruikt om de centrale stellingen te bewijzen, staat het inherent onzekere karakter van het vermoeden er niet aan in de weg dat de boeteling zélf ook een vermoeden gebruikt, maar dan als tegenbewijs tegen het vermoeden van de inspecteur. Redelijke twijfel is immers reeds voldoende om dat vermoeden te ontzenuwen. Die redelijke twijfel kan het vermoeden van de boeteling wekken, waardoor het vermoeden van de inspecteur als bewijsmiddel onschadelijk wordt gemaakt.2
Een goed voorbeeld van het succesvolle gebruik van een vermoeden als tegenbewijs (bewijs van het tegendeel), is te vinden in het Loyens en Volkmaars-arrest.3 Daarin had de boeteling ter bestrijding van het voorwaardelijk opzet-verwijt als tegenbewijs aangevoerd dat hij een gerenommeerd advieskantoor had ingeschakeld voor het doen van zijn aangifte. De Hoge Raad ontleende daaraan het vermoeden dat hij de intentie had gehad om de aangifte correct te laten doen.4