Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.9.5
5.9.5 Toetsingskader CBHO en Afdeling inzake examens
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949409:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Rotterdam 15 februari 1996, nrs, AWB 94/795 en AWB 94/1329 (Zie School en Wet. Jurisprudentie onderwijswetten, afl. 1996/6, p. 138-140)
ABRvS 26 april 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AN5981, m.nt. M. Schreuder-Vlasblom.
Zie hierover ook Peters 2019, p. 65.
ABRvS 12 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS2160.
ABRvS 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3428. Zie over deze zaak ook Vorstermans 2022, p. 20-21.
Een soortgelijke redenering hanteert de Afdeling in het kader van promoties (ABRvS 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1428). Tegen de beëindiging van het betreffende promotietraject stond blijkens het betreffende promotiereglement en artikel 7.19, eerste lid, onder b, van de Whw administratief beroep open bij het college van promoties. Dit college kon slechts beoordelen of het beëindigingsbesluit in strijd met het recht is genomen en kon niet zelf in de zaak voorzien. De beoordeling van de promovendus en de besluitvorming van het college verschilden dan ook wezenlijk van elkaar. Het besluit van het college was daarom niet gelijk te stellen met de beoordeling van het kennen of kunnen van de promovendus, in de zin van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb. Tegen dit besluit kon dan ook door de promovendus beroep in worden gesteld bij de bestuursrechter. Zie over de rechtsbescherming van de promovendus ook Van den Hove en Philipsen 2022.
Zij bijvoorbeeld CBHO 31 oktober 2018, 2018/119 en CBHO 17 december 2018, 2018/15.
CBHO 22 februari 2019, 2018/199.
ABRvS 12 januari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS2160.
Zij bijvoorbeeld CBHO 31 oktober 2018, 2018/119 en CBHO 17 december 2018, 2018/15.
Zoals toegelicht in § 5.8 staat geen beroep op de bestuursrechter open tegen beslissingen inzake het kennen of kunnen van een leerling die ter zake is geëxamineerd.1 Dit wierp de vraag op of de bestuursrechter ontvankelijk is in het geval een student beroep instelt tegen een in administratief beroep genomen beslissing van het Cbe, over de vaststelling van de uitslag van een tentamen. De rechtbank Rotterdam oordeelde in 1997 dat de kennen en kunnenuitzondering zich verzet tegen het ontvankelijk achten van het beroep gericht tegen een in administratief beroep genomen beslissing over een tentamencijfer.2 De Afdeling kwam tot een ander oordeel. 3Nu het beroep is gericht op een beslissing genomen in administratief beroep, waarbij het Cbe geen eigen besluit in de plaats had kunnen stellen van het primaire besluit, is in beroep bij de bestuursrechter geen sprake van het toetsen van het kennen of kunnen van de leerling.4 De bestuursrechter toetst enkel of het besluit van het Cbe rechtmatig is. Het primaire besluit, de vaststelling van de uitslag van een examen, ligt dan ook niet voor bij de bestuursrechter. Door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen beslissing kan dan ook geen oordeel van de bestuursrechter verkregen worden over het kennen of kunnen van de leerling als zodanig.5 Deze lijn bevestigde en verduidelijkte de Afdeling in 2018:
“In geval de besluitvorming over het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling en de beoordeling daarvan in administratief beroep in betekenende mate van elkaar verschillen, bijvoorbeeld omdat de administratieve beroepsinstantie, gelet op de voor de behandeling van het administratieve beroep geldende bepalingen, slechts mag beoordelen of het beroepen besluit is genomen in strijd met het recht en niet zelf in de zaak mag voorzien, is het besluit dat is genomen in administratief beroep niet gelijk te stellen met een besluit inhoudende de beoordeling van een kennen of kunnen als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.”6
Uit het voorgaande blijkt dat niet enkel de vraag of administratief beroep ingesteld kan worden bepalend is voor de mogelijkheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen tegen een beoordelingsbeslissing. In administratief beroep moet de besluitvorming in betekende mate verschillen van de besluitvorming omtrent het kennen of kunnen van de student.7 In het geval in administratief beroep het primaire besluit volledig wordt heroverwogen, kan tegen het besluit dat hieruit voortvloeit dan ook geen beroep in worden gesteld bij de bestuursrechter. Wel is beroep op de bestuursrechter mogelijk als het orgaan dat in administratief beroep beslist niet zelf in de zaak kan voorzien en enkel kan vaststellen of het besluit in strijd met het recht is genomen. Zoals toegelicht in § 5.9.2 is dit het geval bij het Cbe. Tegen de door het Cbe in administratief beroep genomen beslissing over een beoordelingsbeslissing, kan dan ook beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.
In de gevallen dat de bestuursrechter een beslissing van het Cbe over een examen of tentamen toetst, is het uitgangspunt dat de examinator wordt verondersteld deskundig te zijn nog altijd het uitgangspunt. Het CBHO heeft in verschillende uitspraken over het hoger onderwijs bepaald dat examinatoren uit hoofde van hun aanstelling worden verondersteld kundig te zijn.8 In een uitspraak uit 2019 beschrijft het CBHO wat dit betekent voor zijn toetsingskader:
“Het College overweegt dat het gelet op voormeld toetsingskader niet mag treden in een beoordeling van de vaststelling van de tentamenopgaven en het antwoordmodel, zodat de inhoudelijke discussie over het antwoordmodel alsook de vraag of bepaalde tentamenvragen gesteld mochten worden niet aan de orde kunnen komen.”9
De Afdeling bepaalde in 2005 dat zij enkel kan beoordelen of besluitvorming omtrent de beoordeling voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.10 Het CBHO volgde in haar vaste jurisprudentie de Afdeling en heeft bepaald dat zij bij een beoordelingsbeslissing enkel kan onderzoeken of de beoordeling voldoet aan de voorschriften van procedurele aard die bij de Awb, de Whw of enig andere wet in formele zin zijn gesteld.11 Een meer inhoudelijke toets van de examenbeslissing is uitgesloten omdat deze beslissing als zodanig is uitgezonderd van bestuursrechtelijke rechtsbescherming op grond van artikel 8:4, derde lid, onder b, van de Awb.
Uit het voorgaande blijkt dat de kennen en kunnenuitzondering de leraar vrijwaart van bemoeienis van de bestuursrechter waar het de inhoudelijke beoordeling van onder meer het examen betreft. Dit geldt in het bijzonder in de onderwijssectoren waar de wetgever geen administratief beroep heeft opengesteld tegen beoordelingsbeslissingen. In die sectoren staat immers in het geheel geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen deze beslissingen open. In het hoger en middelbaar beroepsonderwijs staat, via het Cbe, beroep open tegen beoordelingsbeslissingen. Ook daar treedt de bestuursrechter niet in de inhoudelijke beoordeling van het kennen of kunnen van de student. In deze sectoren is de leraar dan ook eveneens gevrijwaard van bemoeienis van de bestuursrechter met de inhoud van de beoordeling.