Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.4:10.4.4 Toepassingscriteria voor voorlopige preventieve maatregelen
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.4
10.4.4 Toepassingscriteria voor voorlopige preventieve maatregelen
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De recidivegrond heeft, in navolging van het huidige artikel 67a, tweede lid, onder 2° en 3° Sv, twee vormen (zie c.1ë en c.2ë). Dit betekent dat de vier ‘relevante en voldoende redenen’ van het EHRM zich in de wetgeving onder het nieuwe model vertalen in vijf gronden voor het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voorgestelde nieuwe model zijn de toepassingscriteria voor de voorlopige preventieve maatregelen grotendeels identiek aan de criteria voor toepassing van voorlopige hechtenis onder de huidige artikelen 67 en 67a Sv. Zo moet voor het toepassen van voorlopige preventieve maatregelen sprake zijn van een verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel van een strafbaar feit zoals thans is opgesomd in het huidige artikel 67, eerste lid Sv. Ook is vereist dat feiten of omstandigheden blijk geven van ernstige bezwaren tegen de verdachte (vgl. het huidige art. 67, derde lid Sv). Voorts sluiten ook de gronden voor toepassing van voorlopige preventieve maatregelen grotendeels aan bij de gronden voor voorlopige hechtenis, zoals deze thans zijn neergelegd in artikel 67a, eerste en tweede lid Sv. Wel wordt in de formulering van deze gronden in het nieuwe model meer aansluiting gezocht bij de door het EHRM ontwikkelde ‘algemeen aanvaardbare redenen’ op basis waarvan de rechter kan afwijken van het uitgangspunt dat de verdachte zijn proces in vrijheid mag afwachten: het bestaan van een acuut en ernstig gevaar voor vlucht, maatschappelijke onrust, recidive of belemmering van de waarheidsvinding. Dit impliceert tevens dat de ‘snelrechtgrond’ geen plaats krijgt in het nieuwe model, daar deze grond niet goed verenigbaar is met het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten inzake voorlopige hechtenis van minderjarigen (zie par. 10.3.1.2).
In het nieuwe model wordt expliciet als uitgangspunt in de wet opgenomen dat een minderjarige verdachte in beginsel zijn proces in vrijheid mag afwachten zonder te zijn gebonden aan voorlopige preventieve maatregelen. Voorts worden vijf1 uitzonderingen op dit uitgangspunt limitatief in de wet opgesomd. Dit betreffen de vijf wettelijke gronden voor het bevelen van een (combinatie van) voorlopige preventieve maatregel(en). Hieruit volgt dat een bevel tot een voorlopige preventieve maatregel slechts kan worden gegeven indien dit strikt noodzakelijk is omdat:
uit bepaalde gedragingen van de verdachte, of uit bepaalde, hem persoonlijk betreffende omstandigheden, blijkt van acuut en ernstig gevaar voor vlucht;
sprake is van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat het achterwege blijven van een voorlopige preventieve maatregel, gelet op de ernst van het feit en de publieke reactie daarop, zal leiden tot ernstige maatschappelijke onrust;
1ë. sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de staat of de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan; 2ë. sprake is van een verdenking van een der misdrijven als opgesomd in het huidige artikel 67a, tweede lid, onder 3ë Sv, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop de verdachte wegens een van deze misdrijven onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd en voorts er sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte wederom een van die misdrijven zal begaan;
sprake is van een acuut en ernstig gevaar dat de verdachte het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid zal frustreren.
Voorts gebiedt de wet in het nieuwe model dat de rechter geen andere of ingrijpendere voorlopige preventieve maatregelen beveelt dan die strikt noodzakelijk en proportioneel zijn om één of meer van de – in het bovenstaande onder (a) tot en met (d) genoemde – gevaren die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden. Hiermee wordt het doelgebonden karakter van de voorlopige preventieve maatregel als strafvorderlijk dwangmiddel, alsook de subsidiariteitsgedachte, in de wet geëxpliciteerd. In het verlengde hiervan schrijft de wet voor dat voor het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen die een vorm van voorlopige hechtenis met zich brengen (zie 9°, 10° en 11° in par. 10.4.2) als vereiste geldt dat onverwijlde vrijheidsbeneming van de verdachte strikt noodzakelijk en proportioneel moet zijn om één of meer van de genoemde gevaren die aan het bevel ten grondslag liggen af te wenden. Hierbij laat de wet er geen twijfel over bestaan dat voorlopige hechtenis in de vorm van een voltijds verblijf in een justitiële jeugdinrichting (11°) slechts als uiterste maatregel mag worden bevolen.
Tot slot wordt, in navolging van het anticipatiegebod van het huidige artikel 67a, derde lid Sv, voor het bevelen van voorlopige preventieve maatregelen die een vorm van voorlopige hechtenis met zich brengen (9°, 10° en 11°) het aanvullende vereiste in de wet opgenomen dat een dergelijk bevel achterwege blijft wanneer ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de verdachte in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel zal worden opgelegd, dan wel dat hij door het bevel langere tijd van zijn vrijheid beroofd zou blijven dan de duur van de straf of maatregel.