Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/3.4.7
3.4.7 Afrondende opmerkingen over de Trennungsleer en lessen voor het Nederlandse recht
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493855:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Ook in paragraaf 6, waar meerpartijenverhoudingen besproken worden, blijkt dat een dergelijke beperking van het begrip Leistung voor het Duitse recht tot dogmatische problemen leidt.
Het zal dan bovendien ruimer moeten worden uitgelegd dan thans gebruikelijk is in de Nederlandse literatuur. Het zal dan nodig zijn om een uitleg te geven aan het begrip ‘betaling’ in de zin van artikel 6:203 die overeenkomt met wat de Duitse schrijvers verstaan onder ‘Zuwendung’. Deze betekenis heeft het betalingsbegrip van artikel 6:203 in de Nederlandse heersende leer niet.
Zie hoofdstuk 5, par. 5.3.9.
Nu zowel de Leistungskondiktionen als de Nichtleistungskondiktionen zijn besproken, kan een standpunt over de Trennungslehre worden ingenomen en kunnen lessen worden geleerd voor het Nederlandse recht.
Zoals wij zagen in paragraaf 3.2.3 is volgens Von Caemmerer het kenmerk van Leistungskondiktionen dat ontspoorde prestaties kunnen worden gecorrigeerd. Het kenmerk van de Nichtleistungskondiktion zou zijn dat bepaalde rechtsposities van de verrijkingsschuldeiser worden beschermd tegen inbreuken. Het onderscheid dat Von Caemmerer tussen deze twee kondiktionen heeft voorgesteld, is in de Duitse literatuur overgenomen.
Het onderscheid was bedoeld om de vordering uit hoofde van §812 te systematiseren. Kunnen artikel 6:212 en artikel 6:203 met behulp van een vergelijkbaar onderscheid worden gesystematiseerd? Zou het onderscheid voor het Nederlandse recht mee kunnen brengen dat gevallen waarin een prestatie is verricht terwijl daarvoor een rechtsgrond ontbreekt, met behulp van artikel 6:203 worden opgelost? En zou artikel 6:212 dan kunnen worden beperkt tot gevallen waarin de verrijkingsschuldenaar een inbreuk heeft gepleegd op een exclusieve rechtspositie?
Ik meen dat veel te zeggen valt voor het onderscheid dat Von Caemmerer wilde maken. In alle gevallen waarin onder Duits recht een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat, is sprake van (1) een vermeerdering van vreemd vermogen door de ontspoorde levering van goederen of ontspoorde verrichting van diensten (Zuwendung), dan wel van (2) een vermeerdering van eigen vermogen door onbevoegd een inbreuk te plegen op een exclusieve rechtspositie. Ik merk over beide categorieen het volgende op.
Ad 1. In de eerste categorie kunnen allerlei prestaties worden onderscheiden die door de verrijkingsschuldeiser zijn verricht of aan hem kunnen worden toegerekend. Het gaat daarbij om (a) bewuste, doelgerichte prestaties die voldoen aan de definitie van het begrip Leistung die door het BGH wordt gehanteerd; en (b) prestaties die onbewust of anderszins zonder relevante bedoeling jegens de verrijkingsschuldenaar worden verricht en niet voldoen aan de definitie van het begrip Leistung, zoals prestaties die een Aufwendungs-, Rückgriffs- en Durchgriffskondiktion doen ontstaan.
Ad 2. In de tweede groep gevallen kunnen handelingen worden onderscheiden die door de verrijkingsschuldenaar zijn verricht of aan hem kunnen worden toegerekend. Het gaat daarbij om inbreuken op exclusieve rechtsposities die een algemene of bijzondere Eingriffskondiktion doen ontstaan.
Het onderscheid van Canaris is volgens mij terecht. Ik meen echter ook dat de uitwerking die in de Duitse doctrine en rechtspraak wordt gegeven aan het onderscheid van Van Caemmerer, niet voldoet. In het bijzonder is de definitie van het begrip Leistung in de zin §812 te beperkt. Alleen prestaties (Zuwendungen) die bewust en met een bepaalde bedoeling zijn verricht, vallen daaronder. Andere prestaties (Zuwendungen) moeten met een Nichtleistungskondiktion worden teruggevorderd als zij een ongerechtvaardigde verrijking tot gevolg hebben.
Hierdoor is de Nichtleistungskondiktion een restvordering geworden in plaats van een vordering waarmee bepaalde rechtsposities van de verrijkingsschuldeiser worden beschermd tegen inbreuken, zoals Van Caemmerer voorstelde. De Nichtleistungskondiktion geeft een aanspraak in een groot aantal gevallen die geen gemeenschappelijke kenmerken hebben (anders dan dat het gaat om verrijkingen van de een ten koste van een ander die niet het gevolg zijn van een doelgerichte prestatie van de ander). Er bestaat immers weinig gelijkenis tussen een rechtsinbreuk door de verrijkingsschuldenaar (waardoor een Eingriffskondiktion kan ontstaan) en een onbewuste prestatie door een verrijkingsschuldeiser (waardoor een Aufwendungskondiktion kan ontstaan).
Bovendien is het merkwaardig dat bijna alle Nichtleistungskondiktionen betrekking hebben op prestaties; alleen de Eingriffskondiktion heeft geen betrekking op een prestatie. In gevallen waarin een Aufwendungs-, Rückgriffs-, of Durchgriffskondiktion ontstaat, heeft de verrijkingsschuldeiser een prestatie verricht – zij het dat hij met deze prestatie niet jegens de verrijkingsschuldenaar een bepaalde relevante bedoeling heeft nagestreefd, zodat zijn prestatie niet onder de gangbare definitie van het begrip Leistung valt.
Door de beperkte uitleg van het begrip Leistung is de heersende leer ten aanzien van het onderscheid tussen de Leistungskondiktion en de Nichtleistungskondiktion niet overtuigend.1 Ik ben daarom van mening dat de Duitse uitwerking van het onderscheid tussen verrijkingen als gevolg van prestaties en verrijkingen als gevolg van inbreuken niet moet worden overgenomen voor het Nederlandse recht.
Toch is het zinvol om een onderscheid te maken tussen gevallen waarin een prestatie is verricht en gevallen waarin een inbreuk is gepleegd. Ik meen dat een dergelijk onderscheid voor het Nederlandse recht het mogelijk maakt om artikel 6:203 en 6:212 te systematiseren. Artikel 6:203 zou dan een oplossing kunnen bieden in alle gevallen waarin sprake is van een prestatie (een vermeerdering van vreemd vermogen) waarvoor een rechtsgrond ontbreekt. En artikel 6:212 kan dan worden beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities. Het begrip betaling in artikel 6:203 zal dan echter anders moeten worden uitgelegd dan wat de Duitse auteurs verstaan onder Leistung.2 Een betaling in de zin van artikel 6:203 dient niet te worden beperkt tot doelgerichte prestaties. Een veel ruimer betalingsbegrip is daarom nodig. Ik kom hier in de volgende hoofdstukken op terug.3