Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/318
318 Verklaring over uit eigen waarneming bekende feiten
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS455868:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Volgens Asser Procesrecht/Asser 3 2013/171 is een duidelijk onderscheid tussen waarneming enerzijds en interpretaties anderzijds niet houdbaar. Bovendien kan de kennis en ervaring van een getuige een rol spelen bij de waardering van de getuigenverklaring.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5976 (in die zaak werd gewezen op een enquête ex art. 2:344 BW en een onderzoek door de FIOD/ECD).
Met Van der Wiel 2004, nr. 122 zie ik geen ruimte voor een subsidiariteitstoets, waarbij onderzocht wordt welke andere bevoegdheden de verzoeker ter beschikking staan en hoeveel nadeel elk van die bevoegdheden toebrengt aan de wederpartij, als zelfstandige maatstaf voor misbruik van bevoegdheid. Van der Wiel: “Een subsidiariteitsmaatstaf waarbij alle mogelijke vormen van bevoegdheidsuitoefening tegen elkaar worden afgewogen op basis van de hoeveelheid nadeel voor anderen, vraagt in het algemeen teveel van het rechtssubject en maakt de vrije ruimte waarbinnen hij zijn bevoegdheid naar believen kan uitoefenen te eng.”
Rb. Breda 8 mei 2001, ECLI:NL:RBBRE:2001:AB1494.
Zoals hierboven aangegeven kan een getuige wel een waardevolle verklaring afleggen over het bestaan en de inhoud van interne rapportages (denk aan het interne memo in de bekende Ford Pinto-affaire, waaruit bleek dat het bedrag benodigd om de gevaarlijke brandstoftank in de Ford Pinto aan te passen hoger zou uitvallen dan het totale aan schadevergoeding uit te keren bedrag aan (brand)slachtoffers, reden waarom Ford besloot de brandstoftanks niet aan te passen).
Zie ook G. van Rijssen in zijn noot in JBPr 2012, 58 onder Rb. Amsterdam 1 maart 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0944.
Een voorlopig getuigenverhoor dient ertoe getuigenverklaringen, waarin getuigen verklaren over uit eigen waarneming bekende feiten, vast te leggen (art. 189 jo. 163 Rv).1 Als de verzoeker niet een verslag van feiten verlangt, maar een deskundig oordeel wenst of als de feiten alleen kunnen blijken uit geschriften, is het voorlopig getuigenverhoor niet het geëigende middel en moet een verzoek daartoe worden afgewezen op grond van misbruik van bevoegdheid vanwege het doelcriterium.
Van misbruik op grond van het doelcriterium is geen sprake als de verzoeker met hetzelfde resultaat (het vaststellen en vastleggen van bepaalde feiten), maar met minder nadelen voor de wederpartij een ander middel dan het voorlopig getuigenverhoor kan inzetten. Zolang de verzoeker binnen de grenzen van het doel van het voorlopig getuigenverhoor blijft, hoeft hij zich de belangen van de wederpartij niet aan te trekken.2 De omstandigheid dat de verzoeker een ander middel ter beschikking staat, kan wel één van de factoren zijn, die meeweegt in een belangenafweging op grond van het onevenredigheidscriterium.3
Getuigen kunnen een waardevolle rol spelen als zij kennis hebben genomen van interne, niet voor het publiek toegankelijke rapporten, maar ook dan kunnen zij slechts verklaren over het bestaan en de inhoud van de rapportages. Zij behoren te verklaren over de door hen waargenomen feiten, maar behoren daaraan geen kennis, ervaring of niet waarneembare oorzaken en/of gevolgen toe te voegen. Een naar mijn mening onjuiste uitspraak is gedaan door de rechtbank Breda in een tabakszaak.4 De verzoeker beoogde een onderzoek door middel van getuigen naar de vraag of de tabaksproducten van Philip Morris toevoegingen bevatten waardoor de schadelijke effecten van het roken bij gebruik werden vergroot. Het terechte verweer van Philip Morris, inhoudende dat die vraag alleen door deskundigen kan worden beantwoord, werd door de rechtbank verworpen: “Een getuige kan immers vanuit zijn eigen waarneming verklaren omtrent hetgeen hij weet over een eventuele vergroting van de schadelijke effecten door eventuele toevoegingen, bijv. doordat hij op de hoogte is van rapporten die daaromtrent zijn uitgebracht.”5 Vervolgens echter merkte de rechtbank op dat de vragen aan de getuigen beperkt moesten blijven tot de vraag “of” er toevoegingen in de producten zaten; de vragen mochten niet strekken tot het verkrijgen van deskundig commentaar. Naar mijn mening kan door getuigen, bijvoorbeeld medewerkers van Philip Morris, hoogstens worden verklaard over het bestaan en de inhoud van interne rapportages van Philip Morris over de schadelijke effecten van haar rookwaar en welke stoffen de tabaksproducten bevatten. Alleen een deskundige kan beoordelen of en welke stoffen de schadelijke effecten van roken vergroten en in welke mate.6