Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.3.1.
4.3.1. (Beperkte rechten op) onroerende zaken
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385842:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Vonck, GS Zakelijke rechten, art. 5:91 BW, aant. 8 (online, laatst bijgewerkt op 1 juli 2013); Rb. ’s-Gravenhage 30 november 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV3121, r.o. 4.3-4.4, JOR 2012/233, m.nt. V. Tweehuysen (Aegon/Staedion). Aangenomen wordt dat het beding op de voet van art. 5:91 lid 1 BW niet ziet op bezwaring, zie de noot bij genoemde uitspraak.
Art. 5:101 lid 2 BW: ‘Het recht van opstal kan zelfstandig dan wel afhankelijk van een ander zakelijk recht of van een recht van huur of pacht op de onroerende zaak worden verleend.’
Met het Wetsvoorstel personenvennootschappen zou art. 10 Wvg zodanig gewijzigd worden dat er na ontbinding van de vennootschap niet hoefde te worden aangeboden als de onderneming werd voortgezet door een gewezen vennoot (niet door een derde). Ook bij toedeling of overdracht van een aandeel in geval van uittreding, opvolging of toetreding van een vennoot hoefde niet aangeboden te worden.
Tot het vennootschappelijk vermogen behoren vaak één of meer (beperkte rechten op) onroerende zaken, bijvoorbeeld een kantoorpand of een recht van erfpacht op een aantal landerijen. Voor de overgang van het kantoorpand op een van de gewezen vennoten dient het pand te worden geleverd op de wijze van art. 3:89 BW. Vereist is een notariële akte die onder andere de titel van overgang (verdeling) vermeldt en die is opgemaakt tussen alle deelgenoten, in de praktijk veelal vertegenwoordigd door één van hen, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare registers voor registergoederen. Inschrijving kan door iedere partij bij de akte worden bewerkstelligd.
Voor de overgang van een beperkt recht op een onroerend goed zijn eveneens een notariële akte en inschrijving daarvan in het register voor onroerende zaken vereist om overgang te bewerkstelligen (art. 3:98 jo. 3:89 BW). Wanneer het een (onder)erfpacht of opstal betreft, kan het zo zijn dat de akte van vestiging bepaalt dat het betreffende recht niet zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen of toebedeeld (art. 5:91 BW resp. art. 5:104 lid 1 jo. 5:91 lid 1 BW). Het ontbreken van toestemming zou de overgang ongeldig maken.1 Mogelijk huren de vennoten de grond waarop een hen toekomende opstal, bijvoorbeeld het kantoorpand, zich bevindt en is dit opstalrecht gekoppeld aan deze huur (een van het opstalrecht afgeleid genotsrecht van de onderliggende grond kan zijn uitgesloten, art. 5:103 BW). Er is dan sprake van een huurafhankelijk opstalrecht,2 dat van rechtswege mee over gaat op de verkrijger van het huurrecht op de onderliggende grond (vgl. art. 3:82 BW). Bewerkstelligd hoeft nu ‘slechts’ te worden dat de beoogde gebruiker de enige wederpartij wordt van de verhuurder.
Op een gemeenschappelijke onroerende zaak kan de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) van toepassing zijn. Tot vervreemding kan dan pas worden overgegaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen (art. 10 lid 1 Wvg). Voor vervreemding in verband met de verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap is een uitzondering gemaakt in art. 10 lid 2 Wvg, maar de vennootschappelijke gemeenschap is daar niet genoemd. Bij de parlementaire behandeling van de Wvg is expliciet gesteld dat het beter lijkt de uitzonderingen op het voorkeursrecht te beperken tot de typisch familierechtelijke gemeenschappen; bij andere gemeenschappen krijgt men wél met het voorkeursrecht te maken.3 Vóór overgang zijn de gewezen vennoten dus verplicht om de onroerende zaak aan te bieden aan de gemeente die een voorkeursrecht heeft, zelfs als de onderneming wordt voortgezet en uitoefening van het voorkeursrecht de continuïteit van de onderneming in gevaar brengt.4 Met een eventueel voorkeursrecht van een pachter als bedoeld in art. 7:378 BW hoeft bij de overgang na verdeling overigens geen rekening te worden gehouden (art. 7:380 lid 1 sub c BW).