Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.1:7.1 Inleiding
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264549:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1795 kwam een einde aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zij ging over in een eenheidsstaat, de Bataafse Republiek. Deze Bataafse Omwenteling betekende niet het einde van het recht van pandgebruik. Het bleef voortbestaan en het werd een onderdeel van het Wetboek Napoléon, ingerigt voor het Koningrijk Holland (1809).1 Pas toen Napoléon Bonaparte in 1811 zijn Code civil invoerde in de Nederlanden, kwam een einde aan de gelding van het recht van pandgebruik. De Franse Code civil kende geen recht van pandgebruik; alleen een recht van zelfstandige antichrese. Na het vertrek van de Fransen keerde het recht van pandgebruik terug in het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek van 1816 en van 1820. Deze ontwerpen haalden de eindstreep niet. Het Burgerlijk Wetboek van 1838 bevatte geen systematische regeling van het recht van pandgebruik. Ook aan het zelfstandige recht van antichrese werden geen bepalingen gewijd.
In dit hoofdstuk analyseer ik de ontwikkeling en ondergang van het recht van pandgebruik in de Nederlandse wetgeving en parlementaire geschiedenis tussen 1798 en 1838. Eerst bespreek ik het voortbestaan van het recht van pandgebruik in het Ontwerp-Burgerlijk Wetboek voor de Bataafse Republiek, het Ontwerp-Van der Linden en het Wetboek Napoléon, ingerigt voor het Koningrijk Holland (§7.2). Vervolgens geef ik een weergave van de zelfstandige antichrese in de Code civil van 1804 (§7.3). In §7.4.1 analyseer ik het recht van pandgebruik in de ontwerpen van 1816 en 1820. Voorts bespreek ik de parlementaire geschiedenis die ertoe leidde dat het recht van pandgebruik niet terugkeerde in het Burgerlijk Wetboek van 1838 (§7.4.2). Ten slotte geef ik een verklaring voor de afwezigheid van het recht van pandgebruik in het Burgerlijk Wetboek van 1838 (§7.5).2 Ik geef geen afzonderlijke bespreking van het Ontwerp Burgerlijk Wetboek van 1830, omdat de regelingen van pand en hypotheek tussen 1830 en 1838 wat betreft het recht van pandgebruik niet veranderden.3