Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.2.3:VII.2.3 Overtreding van een stem- of besluitverbod
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VII.2.3
VII.2.3 Overtreding van een stem- of besluitverbod
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178849:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 februari 1994, NJ 1994/651, m.nt. Snijders (Van Kooten/Wilmink), rov. 3.3 en GS Burgerlijke Rechtsvordering/Tjong Tjin Tai 2018, art. 256 Rv, aant. 3.3.
In die zin Van den Ingh 2000, p. 212.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorzieningenrechter kan zijn verbod desgevorderd kracht bijzetten met een dwangsom. Dikwijls zal dat volstaan om de aandeelhouder van stemmen respectievelijk de rechtspersoon van besluiten te weerhouden. Wat de voorzieningenrechter mijns inziens niet kan, is erin voorzien dat zijn vonnis de wilsverklaring inhoudt om niet of niet in een bepaalde zin te stemmen (al dan niet voor zover de gedaagde het verbod niet naleeft). Weliswaar is reële executie in kort geding niet uitgesloten,1 maar voor de reële executie van een stem- of besluitverbod biedt de wet geen grondslag. Terwijl art. 3:299 lid 2 BW slechts op feitelijke handelingen ziet, handelt art. 3:300 BW over het geval waarin een rechtshandeling juist wel moet worden verricht.2
Overigens heeft overtreding van een verbod geen effect op de geldigheid van een in strijd daarmee uitgebrachte stem of genomen besluit. Weliswaar valt te betogen dat een stem of besluit in strijd met een kortgedingvonnis ex art. 3:40 lid 1 BW nietig is wegens strijd met de openbare orde,3 maar dat strookt niet met het geldende uitgangspunt dat het onmogelijk is om verbintenissen tot een nalaten bij wijze van reële executie ten uitvoer te leggen. Steun voor deze opvatting is te vinden in de parlementaire geschiedenis, waarin de regering opmerkt dat
‘het (…) te ver zou gaan dat een rechtshandeling die in strijd is met een zodanige verplichting [tot nalaten, KvV] – wellicht met een derde – werd verricht, op die enkele grond als nietig of vernietigbaar zou moeten worden beschouwd’.4
Stemt de aandeelhouder of besluit de rechtspersoon toch, dan levert dat dus een geldige stem of een geldig besluit op. Dat het gaat om een handelen in strijd met een kortgedingvonnis doet hieraan niet af. Het is immers niet zozeer het vonnis in weerwil waarvan de aandeelhouder of rechtspersoon handelt, maar de al eerder bestaande, uit art. 2:8 BW voortvloeiende verbintenis (of rechtsplicht) om stemmen of besluiten na te laten. Als de aandeelhouder of rechtspersoon bereid is een dwangsom voor lief te nemen, komt een stem of besluit dus gewoonweg tot stand.