Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.1
5.2.1 Algemeen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 7 juli 1989, appl.no. 10857/84 (Bricmont/België), § 68.
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 712.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 december 2001, appl.no. 33900/96 (P.S./Duitsland), § 23 en EHRM 23 april 1997, appl.nos. 21363/93 e.a. (Van Mechelen e.a./Nederland), § 58.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 119-120. In § 125 van hetzelfde arrest drukte het EHRM zich overigens sterker uit: ‘given the extent to which the absence of a witness adversely affects the rights of the defence, the Court would emphasise that, when a witness has not been examined at any prior stage of the proceedings, allowing the admission of a witness statement in lieu of live evidence at trial must be a measure of last resort.’ Dat, kort gezegd, de beperking van het ondervragingsrecht een ultimum remedium moet zijn, past meer bij de gedachte dat deze beperking noodzakelijk moet zijn. Zie ook Leeuw & Van Lent 2013, p. 254.
EHRM 1 maart 2011, appl.no. 27335/04 (Nevruz Bozkurt/Turkije), § 54. Zie daarover § 2.5.2.
Andersom is het wel zo dat wanneer het in een bepaalde zaak noodzakelijk is geweest om het ondervragingsrecht te beperken, daarvoor altijd een goede reden heeft bestaan. Iedere noodzakelijkheid levert een goede reden op, maar niet iedere goede reden noodzaakt tot beperking.
Anders: Keane 2012, p. 415-416.
EHRM 17 september 2013, appl.no. 23789/09 (Brzuszczyn´ ski/Polen), § 81.
In sommige uitspraken wordt expliciet onderzocht of een goede reden bestond voor het niet aanwezig zijn van een getuige ter zitting. Zie bijvoorbeeld EHRM 10 mei 2012, appl.no. 28328/03 (Aigner/Oostenrijk), § 39.
EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 57; EHRM 18 juli 2013, appl.no. 59632/09 (Vronchenko/Estland), § 54; EHRM 2 april 2013, appl.no. 25307/10 (dec.) (D.T./Nederland), § 46.
EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 73.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 119-120; EHRM 3 april 2012, appl.no. 18475/05 (Chmura/Polen), § 47 en 50.
EHRM 11 juli 2013, appl.no. 2775/07 (Rudnichenko/Oekraïne), § 109.
Zie § 2.1 van hoofdstuk 4.
Het beslismodel is genoemd in § 8.4.2 van hoofdstuk 1.
Zie § 2.2.1 van hoofdstuk 4.
Zie § 2.6 van hoofdstuk 7.
Zie bijvoorbeeld EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland), p. 15: ‘The national authorities must have adduced relevant and sufficient reasons to keep secret the identity of certain witnesses.’ Ook bij de toetsing of andere EVRM-rechten zijn gerespecteerd, onderzoekt het EHRM soms of inbreuken relevant en sufficient zijn geweest. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de beoordeling of voorarrest een inbreuk op artikel 5 EVRM heeft opgeleverd. Zie daarover bijvoorbeeld EHRM 24 juli 2003, appl.nos. 46133/ 99 & 48183/99 (Smirnova/Rusland), § 48.
In dit kader wordt het begrippenpaar subsidiariteit en proportionaliteit wel gehanteerd. Zie Schalken 2004, p. 231 en de noot van Mols bij EHRM 2 juli 2002, EHRC 2002, 91 (S.N./ Zweden).
In onder andere EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lučić/Kroatië), § 76, EHRM 24 april 2012, appl.no. 1413/05 (Sibgatullin/Rusland), § 56 en EHRM 24 januari 2012, appl.no. 24893/05 (Nechto/Rusland), § 127 hanteerde het EHRM deze terminologie wél bij de beoordeling van de goede reden.
EHRM 3 november 2011, appl.no. 24885/05 (Vanfuli/Rusland), § 119.
Vgl. EHRM 19 december 2013, appl.no. 26540/08 (Rosin/Estland), § 59-62.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 39; EHRM 17 juli 2001, appl.nos. 29900/96 e.a. (Sadak e.a./Turkije), § 67; EHRM 28 september 2010, appl.no. 40156/07 (A.S./Finland), § 53.
EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 53; EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije), § 43.
EHRM 28 augustus 1992, appl.no. 13161/87 (Artner/Oostenrijk), § 21 en EHRM 4 december 2008, appl.no. 1111/02 (Trofimov/Rusland), § 33: ‘If there has been no negligence on the part of the authorities, the impossibility of securing the appearance of a witness at the trial does not in itself make it necessary to halt the prosecution’.
Goede reden
Ten aanzien van ontlastende getuigen heeft het ehrmdikwijls overwogen dat de nationale rechter het best in staat is om te beoordelen of de oproeping van een getuige noodzakelijk en wenselijk is. De rechter heeft een ruime margin of appreciation.1 Bij belastende getuigen heeft de rechter een beperktere beoordelingsvrijheid. Het ehrm hanteert het uitgangspunt dat de oproeping en ondervraging van een getuige noodzakelijk is wanneer zijn verklaring door de rechter wordt gebruikt om een veroordeling te onderbouwen, tenzij deze verklaring irrelevant is.2 In bepaalde gevallen zullen getuigen die relevante getuigenverklaringen hebben afgelegd, desondanks niet door de verdediging kunnen ondervraagd of zal een ondervraging niet als behoorlijk en effectief kunnen worden aangemerkt. Er is dan sprake van een beperking van het ondervragingsrecht.
In oudere uitspraken heeft het ehrm herhaaldelijk overwogen dat beperkingen van de verdedigingsrechten uitsluitend toelaatbaar zijn wanneer deze strikt noodzakelijk zijn.3 In het arrest Al-Khawaja & Tahery formuleerde het ehrm echter de – in latere uitspraken steeds herhaalde – regel dat voor de beperking van het ondervragingsrecht een goede reden moet bestaan.4 De term ‘goede reden’ heeft taalkundig gezien een wat zwakkere betekenis dan de term ‘noodzaak’. Zo kan het feit dat een getuige reeds eerder is ondervraagd een goede reden opleveren voor afwijzing van een getuigenverzoek,5 maar strikt noodzakelijk is deze afwijzing niet.6 Wanneer de beperkingen van verdedigingsrechten altijd noodzakelijk zouden moeten zijn, zou dat een enorme inspanningsverplichting voor de nationale justitiële autoriteiten betekenen. Zo ver heeft het ehrm niet willen gaan.7
Goede reden waarvoor?
Het ehrm hanteert naast elkaar verschillende benaderingen ten aanzien van de vraag waarvoor precies een goede reden moet bestaan. Dikwijls onderzoekt het of een goede reden bestaat voor de ‘non-attendance of the witness’.8 Daarmee lijkt afwezigheid tijdens het onderzoek ter terechtzitting te worden bedoeld.9 In deze formulering komt de verantwoordelijkheid van de autoriteiten niet tot uitdrukking. Dat is wel het geval bij de eveneens regelmatig uitgevoerde beoordeling of een goede reden bestond voor het afwijzen van een verzoek tot ondervraging van een getuige.10 Ten slotte onderzoekt het ehrm soms of een goede reden bestond voor het toelaten van de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige voor het bewijs.11 Met deze verschillende benaderingen lijkt het ehrm niet te beogen inhoudelijk verschillende toetsen uit te voeren. Voor dat vermoeden kan steun worden gevonden in de zaken Al-Khawaja & Tahery en Chmura, waarin het ehrm twee verschillende benaderingen naast elkaar noemde.12
In het arrest Rudnichenko overwoog het ehrm: ‘there were no reasons, let alone good reasons, for the restriction of the applicant’s right to obtain the examination of the witness whose testimony had been used for his conviction.’13 In deze overweging ligt de nadruk of de beperking van het ondervragingsrecht. Wanneer sprake is geweest van een beperking in de uitoefening van het ondervragingsrecht, kan desondanks een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid hebben bestaan.14 Doorslaggevend zou naar mijn mening moeten zijn of de getuige al dan niet behoorlijk en effectief kon worden ondervraagd.
De essentie van de hier besproken beoordelingsfactor is of een goede reden bestaat voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervraging. Daardoor wordt een heldere koppeling gemaakt tussen de eerste twee vragen van het beslismodel.15 In hoofdstuk 4 heb ik uiteengezet dat het ehrm in sommige zaken alleen een ondervraging ter zitting als behoorlijke en effectieve ondervraging aanmerkt, terwijl in andere zaken kan worden volstaan met een verhoor tijdens het voorbereidend onderzoek.16 De beslissing daarover heeft gevolgen voor het antwoord op de vraag waarvoor precies een goede reden moet bestaan. In het als eerste genoemde geval moet een goede reden bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Bij de beoordeling daarvan is niet relevant of een gelegenheid had moeten worden geboden om de getuige elders dan ter terechtzitting te ondervragen. Dat aspect kan wél van belang zijn voor de beoordeling of het nadeel van de verdediging voldoende is gecompenseerd.17 In het als tweede genoemde geval zal juist in het kader van de vraag of een goede reden heeft bestaan moeten worden beoordeeld waarom tijdens het voorbereidend onderzoek geen effectieve ondervragingsgelegenheid is geboden.
Relevant en sufficient reason
In zaken met anonieme getuigen maakt het ehrm onderscheid tussen relevant reasons en sufficient reasons voor het verborgen houden van de identiteit van een getuige.18 Een relevant reason is daarbij een reden die in het algemeen anonimiteit rechtvaardigt, doorgaans angst voor represailles. Wanneer een relevant reason is vastgesteld, onderzoekt het ehrm of voldoende grond bestond om die reden in de concrete zaak aan te nemen. In dat geval was er een sufficient reason. Vervolgens is het nog de vraag of de maatregelen die zijn getroffen om de getuige te beschermen noodzakelijk waren.19 Er worden dus drie vragen beantwoord om vast te stellen of de beperking van het ondervragingsrecht in een concrete zaak gerechtvaardigd was. Hoewel het ehrm de hier genoemde terminologie doorgaans niet gebruikt bij de beoordeling van zaken met niet-anonieme getuigen, is de benadering in die zaken identiek.20 Wanneer bijvoorbeeld het verzoek tot ondervraging van een minderjarig slachtoffer van een zedendelict door een rechter is afgewezen ter bescherming van het welzijn van dat slachtoffer, zal het ehrm eerst vaststellen dat de bescherming van de privacy van het slachtoffer in het algemeen een reden kan zijn om het ondervragingsrecht te beperken (relevant reason). Vervolgens zal het onderzoeken of ten aanzien van het slachtoffer in kwestie voldoende is onderbouwd dat een ondervraging schadelijk zou zijn voor zijn welzijn (sufficient reason).21 Ten slotte zal het onderzoeken of het geheel afwijzen van het getuigenverzoek gerechtvaardigd was. Een verhoor ter zitting zou wellicht schadelijk zijn geweest voor het welzijn van het slachtoffer, maar zou die schade ook te verwachten zijn geweest wanneer het slachtoffer tijdens een studioverhoor zou zijn verhoord?22
Niet in alle zaken zullen alle drie de vragen moeten worden beantwoord. Wanneer een getuige bijvoorbeeld – buiten toedoen van de overheid – is overleden, is het duidelijk dat dit een relevante én voldoende reden oplevert om een getuigenverzoek af te wijzen en dat geen minder ingrijpende beperking beschikbaar is.
Inspanningsverplichting
Als uitgangspunt geldt in de meeste situaties dat de nationale autoriteiten zich moeten inspannen om een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid te realiseren. In de jurisprudentie van het ehrm is deze inspanningsverplichting dikwijls als volgt opgenomen in de general principles:
‘paragraph 1 of Article 6 taken together with paragraph 3 requires the Contracting States to take positive steps, in particular to enable the accused to examine or have examined witnesses against him. Such measures form part of the diligence which the Contracting States must exercise in order to ensure that the rights guaranteed by Article 6 are enjoyed in an effective manner’23
‘In the event the impossibility to examine the witnesses or have them examined is due to the fact that they are missing, the authorities must make a reasonable effort to secure their presence’24
Wanneer onvoldoende aan de inspanningsverplichting is voldaan, hanteerde het ehrm vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery dikwijls de term negligence: de overheid is nalatig geweest.25 De beoordeling of een goede reden bestond, staat vaak in het teken van de beoordeling of de overheid nalatig is geweest. De vraag daarbij is of van de overheid, gezien de feiten en omstandigheden van de zaak, redelijkerwijs meer inspanningen hadden mogen worden verwacht om een ondervragingsgelegenheid te realiseren.