Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.2.10
7.3.2.10 Wijzigen van vergunningvoorschriften
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608219:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30694, nr. 3, p. 3.
De monitoringsmethoden in het MP kwalificeren niet als vergunningvoorschriften. Als anders zou worden geconcludeerd zou namelijk iedere aanpassing van het MP een aanpassing van de vergunning vereisen en dus een besluit van het bestuur van de NEa. Dit zou in strijd zijn met artikel 15 Verordening (EU) 601/2012 dat voor niet-significante wijzigingen van het MP geen goedkeuring van de bevoegde autoriteit (lees: bestuur van de NEa) vereist. Zie in dit verband ook de opmerking van Van Angeren, dat de vergunning onder het huidige ETS-systeem geen inhoudelijke voorschriften meer bevat, aangezien deze grotendeels in de wet zijn opgenomen (Van Angeren, in: T&C Wet Milieubeheer, artikel 16.20 Wm, aant. 2 (online, laatst geraadpleegd op 1 september 2015). Ook hij impliceert hiermee dat het MP geen onderdeel uitmaakt van de vergunningvoorschriften (in die zin ook: MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30694, nr. 3, p. 3).
Artikel 16.13 lid 1 onder c Wm.
De vergunning dient immers duidelijk aan te geven waarop zij betrekking heeft (artikel 16.11 lid 1 Wm).
Tot nu nog niet behandeld, maar wel van belang, is de bevoegdheid van het bestuur van de NEa eenzijdig vergunningvoorschriften te wijzingen. Artikel 16.20 Wm bevat de bevoegdheid van het bestuur van de NEa de vergunning en daaraan verbonden voorschriften te wijzigen of aan te vullen. Ook kunnen voorschriften worden ingetrokken, of kunnen er nieuwe voorschriften aan de vergunning worden verbonden. Een en ander moet wel in het belang van de goede werking van het ETS zijn. Op verzoek van de drijver kan een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden ingetrokken, aangevuld of gewijzigd, zo volgt uit artikel 16.20a Wm. Bovendien moet de vergunning om de vijf jaar worden getoetst, zo is reeds hierboven aan de orde geweest. Bij deze vijfjaarlijkse toetsing vermeldt artikel 16.20b Wm expliciet dat zo nodig het MP eenzijdig kan worden aangepast.
Hieruit vloeit dan de vraag voort of het bestuur van de NEa ook buiten deze vijfjaarlijkse toetsingsperiode het MP zo nodig eenzijdig kan aanpassen, bijvoorbeeld als dit nodig blijkt volgens het verificatierapport, maar de drijver weigerachtig is deze wijzigingen door te voeren. Mijns inziens moet die vraag negatief worden beantwoord. Hoewel het MP onderdeel uitmaakt van de vergunning,1 is niet voor elke aanpassing van het MP een aanpassing van de vergunning(voorschriften) noodzakelijk.2 Bovendien zijn de monitoringsmethoden in het MP zelf niet als vergunningvoorschriften te kwalificeren.3 Wel kan het bestuur van de NEa in voorkomende gevallen de drijver verzoeken het MP aan te passen,4 en bij weigering zo nodig handhavend optreden (met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als hierboven beschreven).
Wel kan een aanpassing van de vergunningvoorschriften noodzakelijk zijn bij ingrijpende veranderingen in het MP, die bijvoorbeeld leiden tot een aanpassing van de grenzen van de inrichting.5 Wanneer een MP dus zodanig wordt aangepast (op verzoek van de drijver of bij de vijfjaarlijkse toetsing) dat dit gevolgen heeft voor de vergunning, heeft het bestuur van de NEa de mogelijkheid de vergunning zo nodig ambtshalve op dit nieuwe MP aan te passen.