De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/2.2.2:2.2.2 De verhouding tussen de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/2.2.2
2.2.2 De verhouding tussen de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583358:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de beginselen partijautonomie en contractsvrijheid weliswaar verwant zijn, volgt reeds uit het voorgaande dat dit geen synoniemen zijn. Nieuwenhuis spreekt van ‘een duidelijk accentverschil’ tussen de twee beginselen, en beschrijft de verhouding tussen deze beginselen als volgt:
‘Het verband tussen de contractsvrijheid en het autonomie-beginsel is gelegen in de omstandigheid dat het autonomie-beginsel het beginsel van contractsvrijheid vóóronderstelt. Het heeft weinig zin zich druk te maken over de vraag of de contractuele regeling wel berust op de toestemming van partijen als de vrijheid om contracten te sluiten geheel en al ontbreekt.’1
Volgens Nieuwenhuis gaat de contractsvrijheid dus voorafaan (de effectuering van) partijautonomie.2 Dit sluit aan bij het (eveneens door Nieuwenhuis gehanteerde) uitgangspunt dat de contractsvrijheid de voorwaarden schept voor het verwezenlijken van de partijautonomie.3 Sieburgh plaatst het beginsel contractsvrijheid juist in het verlengde van de partijautonomie. Het beginsel contractsvrijheid brengt volgens haar mee dat er bij het effectueren van de partijautonomie geen belemmeringen zijn om door middel van wilsverklaringen rechtsgevolgen in het leven te roepen.4 In deze visie lijkt het beginsel partijautonomie dus het uitgangspunt te vormen, en wordt met het beginsel contractsvrijheid uitgedrukt dat er (in beginsel) ruimte bestaat om de partijautonomie te verwezenlijken.
Waar in beide benaderingen tot uitdrukking komt dat de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, gaan de voormelde benaderingen uit van tegengestelde uitgangsposities. In de visie van Nieuwenhuis vormt de contractsvrijheid het uitgangspunt (zonder contractsvrijheid geen partijautonomie), terwijl in de visie van Sieburgh de partijautonomie het startpunt is (zonder partijautonomie geen contractsvrijheid). Het ‘kip of ei’-karakter van deze discussie maakt het lastig om tot een keuze tussen de twee benaderingen te komen. Op basis van een grammaticale benadering kunnen aanknopingspunten voor de benadering van Nieuwenhuis worden gevonden. In het beginsel contractsvrijheid staat het contract – letterlijk en figuurlijk – voorop, terwijl het beginsel partijautonomie zich specifiek richt op het recht op zelfbeschikking van de contractspartij(en), waarmee invulling kan worden gegeven aan de mogelijkheden die uit de contractsvrijheid voortvloeien. Anderzijds kan op basis van die redenering ook worden betoogd dat het beginsel partijautonomie juist voorop staat: een contract komt pas tot stand wanneer partijen daartoe besluiten, zodat de contractsvrijheid pas in beeld komt wanneer partijen gebruik maken van de autonomie waarover zij beschikken. Een grammaticale benadering van de twee beginselen biedt dan ook geen uitsluitsel. Overigens kan de keuze voor de ene of de andere benadering ook afhankelijk zijn van het perspectief van waaruit de materie wordt beschouwd. Bekijken we de thematiek vanuit het systeem van het recht, dan ligt het voor de hand dat de contractsvrijheid het uitgangspunt vormt en dat de partijautonomie als een uitingsvorm daarvan wordt gezien (benadering Nieuwenhuis). Bezien vanuit het perspectief van contractspartijen zal juist het beginsel partijautonomie het uitgangspunt vormen, waarbij het beginsel contractsvrijheid uitdrukt dat en in hoeverre partijen over die autonomie kunnen beschikken (benadering Sieburgh).
Hoewel beide benaderingen dus verdedigbaar zijn, zie ik een overtuigend argument ten faveure van de visie van Nieuwenhuis, in diens betoog over de verschillende betekenissen die het begrip ‘beginsel’ kan hebben. Daarvan licht hij er twee uit: de globale en de toegespitste betekenis. Van een globale betekenis is sprake wanneer een beginsel een ‘belangrijke eigenschap’ duidt, terwijl een beginsel met een toegespitste betekenis kan worden gebruikt ter rechtvaardiging van regels en beslissingen. De contractsvrijheid ziet Nieuwenhuis als een beginsel met een globale betekenis. Het uitgangspunt dat partijen in beginsel vrij zijn om contracten te sluiten is weliswaar een belangrijk kenmerk van het privaatrecht, maar daarmee kan op zichzelf niet worden gerechtvaardigd op welke gronden partijen aan contracten gebonden kunnen raken. Dit ligt anders voor het beginsel partijautonomie, dat volgens Nieuwenhuis een concrete taak vervult: de rechtvaardiging van de verbindende kracht van een overeenkomst. De partijautonomie ziet Nieuwenhuis dus als een beginsel met een toegespitste betekenis.5 Bezien we dit betoog in het licht van de discussie over de onderlinge verhouding tussen de beginselen contractsvrijheid en partijautonomie, dan ligt het voor de hand aan te nemen dat de contractsvrijheid (als beginsel met een globale betekenis) het uitgangspunt vormt, en dat de partijautonomie (als beginsel met een toegespitste betekenis) daaruit voortvloeit.