Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/7.3.1
7.3.1 Het onderscheid tussen goederenrechtelijke en persoonlijke rechten
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385887:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/22, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/22 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/69 e.v.
Er zijn diverse pogingen gedaan om het onderscheid tussen goederenrechtelijke en persoonlijke rechten van een allesomvattend en zuiver criterium te voorzien. Betreffend onderscheid wordt bestempeld als de ‘klassieke leer ’. Zie Rank-Berenschot, diss. 1992, p. 36-38.
De onderscheiding vormt wel degelijk een vrucht van het Romeinse recht, maar men dient zich te beseffen dat het Romeinse recht zelf op casuïstische wijze werd beoefend en slechts een verschil kende tussen persoonlijke en goederenrechtelijke rechtsvorderingen (actiones). Een dergelijke tweedeling binnen het materiële vermogensrecht is het Romeinse recht vreemd. Zie Feenstra 1979, p. 6 en 7, Rank-Berenschot, diss. 1992, p. 13-17 en Zwalve 2006, p. 78.
Zie Feenstra 1979, p. 24 en 25 en Zwalve 2006, p. 79.
De hoofdindeling van De Groots Inleiding is in drie boeken: Personen- en familierecht, Zakenrecht (Beheering) en Verbintenissenrecht (Inschuld).
Op dit punt is het wetsontwerp van Kemper gevolgd dat kan worden beschouwd als het sluitstuk van de bloeiperiode van het Rooms-Hollandse recht. Zie Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, p. 175 en Lokin & Zwalve 2014, p. 372. Kempers ontwerpen hanteren dezelfde hoofdindeling als De Groots Inleiding met dien verstande dat aan Kempers ontwerpen een vierde hoofdstuk ‘Van rechtsmiddelen tot handhaving van regt’ is toegevoegd. Overigens bevat het BW van 1838 geen expliciete vermelding van het onderscheid, in tegenstelling tot het Ontwerp van 1820. Zie art. 971 en 972, De Bosch Kemper 1864, p. 112.
Zie PG Alg. Deel, p. 123. Met de invoering van het NBW is niet gestreefd naar een op geheel nieuwe grondslagen berustend burgerlijk recht.
Zie PG Alg. Deel, p. 133 en 134. Een algemeen aan het vermogensrecht gewijd deel gaat vooraf aan een behandeling van vermogensrechten, onderscheiden naar het voorwerp van het recht. Op de goederenrechtelijke rechten (aldus verspreid over de boeken 3 en 5) volgt het verbintenissenrecht.
Mugdan III, p. 1. Aan het Sachenrecht wordt in navolging van de Pandektisten een apart boek toegekend.
Het hedendaagse Nederlandse vermogensrecht gaat uit van een fundamentele tweedeling binnen de subjectieve rechten.1 De rechten op een goed (goederenrechtelijke rechten) worden onderscheiden van de rechten tegen een persoon (persoonlijk rechten).2 Hoewel deze onderverdeling Romeinsrechtelijk oogt,3 heeft eerst Hugo de Groot deze tegenstelling tot uitgangspunt genomen voor de systematische behandeling van het privaatrecht.4 In zijn Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid deelt hij het vermogensrecht op in ‘beheering’ en ‘inschuld’.5 Deze indeling heeft grote invloed gehad op de latere Nederlandse en Duitse rechtswetenschap. Zo heeft de Nederlandse wetgever van 1838, hoewel inhoudelijk en tekstueel sterk leunend op de Code civil, ten aanzien van de indeling van het wetboek voortgebouwd op het Rooms-Hollandse recht.6 In het nieuwe Burgerlijk Wetboek van 1992 is de splitsing in goederenrechtelijke rechten en verbintenissen gehandhaafd, 7zij het in enigszins andere vorm.8 Ook het Duitse BGB gaat uit van een – in de pandektistiek tot volle wasdom gekomen – scherp onderscheid tussen goederenrechtelijke en persoonlijke rechten.9