Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.5.1:16.5.1 Verloop van de parlementaire geschiedis
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/16.5.1
16.5.1 Verloop van de parlementaire geschiedis
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482405:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de parlementaire geschiedenis is herhaaldelijk aandacht besteed aan de termen welke hier aan de orde zijn. Voor een goed inzicht in de problematiek – en de wijze waarop een standpunt is bepaald – lijkt het wenselijk de parlementaire geschiedenis op de voet te volgen.
In het VV II wordt de vraag gesteld:
‘Welke betekenis komt in het ontwerpaan het woord “erf” toe? Is het niet goed, terzake een definitie op te nemen?’1
‘Het woord wordt’ – zo wordt in het voorlopig verslag vervolgd – ‘nu trouwens in meer dan een betekenis gebruikt. Men vergelijke artikel 5.3.1 (5:20) met artikel 5.6.1 (5:70). Ook een opstal (en niet de grond, waarop deze is gevestigd) kan erf zijn in de zin van artikel 5.6.1. Enige uniformiteit te dezen lijkt wel gewenst.’
Volgens de MvA II heeft de term ‘erf’ in het Ontwerpde betekenis van ‘grondstuk’. Er moet gedacht worden aan zowel land- als waterpercelen
‘inclusief de eventuele op het grondstuk staande opstallen.’
En vervolgens:
‘Uit de redactie van artikel 5.6.1 lid 1 blijkt dat deze term daar ook een opstal, los van de grond, kan omvatten. De ondergetekende meent dat het niet wenselijk is de term “erf” in het ontwerp nader te omschrijven. In de bepalingen waarin dit woord wordt gebruikt blijkt de betekenis ervan voldoende duidelijk, zodat een zodanig omschrijving geen behoefte bestaat.’2
In het Eindverslag wordt opgemerkt dat het geen aanbeveling verdient de term ‘erf’ in titel 5.4 anders uit te leggen dan dezelfde term in de titels 3, 5 en 6 van Boek 5.3
Vanuit de commissie wordt er vervolgens in het Mondeling Overleg op gewezen dat er wetten zijn waarin het woord ‘erf’ gebruikt wordt in de beperkte betekenis van het besloten terrein tussen de boerderij en de stallen of de tuinen van huizen, zoals bijvoorbeeld de Veewet (art. 77). Men vraagt zich af of het niet verwarrend is dat deze term in het Burgerlijk Wetboek in ruimere betekenis, namelijk in die van elke onroerende zaak, wordt gebezigd.
De Regeringscommissaris antwoordt dat het woord erf in het Burgerlijk Wetboek vanouds deze ruime betekenis heeft, zoals bijvoorbeeld in het woord erfdienstbaarheden.4
De term ‘erf’ komt nogmaals aan de orde in het VV II. Opgemerkt wordt:
‘Artikel 1, lid 1 spreekt van “onroerende zaak”, hetgeen ruimer is dan “erf”, wanneer men daaraan de betekenis van “grond” toekent. Als ook de opstal onder “erf” begrepen wordt, wordt het woord “erf” in oneigenlijke zin gebezigd. Erfdienstbaarheden worden volgens het ontwerp niet alleen gevestigd ten laste van de grond, doch ook ten laste van opstallen (vgl. art. 5.6.10, lid 3). Kan men niet beter spreken van “heersende zaak” en “dienende zaak”?’5
Het antwoord luidt:
‘Wat het gebruik van het woord “erf” betreft, deze term wordt – zoals al bij artikel 5.3.1. te kennen is gegeven – in het ontwerpgebruikt in de zin van “grondstuk” (zowel land- als waterpercelen), inclusief eventuele daarop staande opstallen. Uit de redactie van artikel 5.6.1 lid 1 volgt dat deze term daarin zelfs nog iets meer omvat, doordat ook een opstal, los van de grond waarop deze is aangebracht, een “erf” kan zijn. De hoofdzin van dit lid spreekt immers niet van “erf” maar van “onroerende zaak”. Het woord erf komt slechts voor in de termen “erfdienstbaarheid”, “heersend erf” en “dienend erf”, die in het juridisch spraakgebruik zo ingeburgerd zijn dat zij moeilijk door een andere term kunnen worden vervangen. De door de commissie voorgestelde termen “heersende zaak” en “dienende zaak” hebben hun ongebruikelijkheid tegen, terwijl zij niet aansluiten bij de term “erfdienstbaarheid”. Door de duidelijke redactie van artikel 1 lid 1 en door artikel 10 lid 2 zijn geen praktische moeilijkheden te vrezen.’6
In het Voorlopig Verslag van de Invoeringswet gaat het nog een keer over ‘erf’. Graag zou de commissie vernemen wat naar het oordeel van de Minister in het burenrecht onder het begrip ‘erf’ verstaan moet worden.
Het antwoord luidt:
‘De commissie zou gaarne vernemen wat in het burenrecht moet worden verstaan onder de term “erf”, waarbij zij aantekende dat in de literatuur zowel wordt verdedigd dat daaronder tevens is begrepen een opstal, los van de grond indien deze opstal als zelfstandige zaak beschouwd kan worden. Vooropgesteld moet worden dat de term “erf”, niet alleen in titel 5.4 wordt gebezigd maar ook in de titels 5.3, 5.5, en 5.6. In al die titels heeft die term in beginsel betekenis van een stuk grond met inbegripvan de daarbij een geheel vormende gebouwen en werken; (…). Onder de term kan ook een opstal vallen los van de grond, indien deze opstal als zelfstandige zaak kan worden beschouwd. Dit laatste is in het bijzonder van belang voor erfdienstbaarheden, waar de redactie van artikel 5.6.1 mede op dit geval is afgestemd. Overigens dient in het oog te worden gehouden dat niet alle bepalingen die van “erf” spreken zich voor toepassing op zelfstandige opstallen lenen. Men denke bijvoorbeeld aan artikelen 5.3.9-11, 5.4.8, 5.4.9, 5.4.10 en 5.4.11. Ook bedenke men dat de rechtsverhouding tussen de eigenaar van een zodanige opstal en de eigenaar van de ondergrond, niet door de titels 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 geregeld wordt, maar door de regels betreffende het opstalrecht, vervat in titel 5.8.
Het bovenstaande stemt overeen met wat ook voor het huidige recht de heersende leer is.’7