Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.3.1.3
7.3.1.3 Economische rechtvaardiging
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291400:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.D.J. van der Wulp, ‘Btw-vrijstelling verhuur onroerend goed in corrigerend licht’, BtwBrief 2014/57, p. 4.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 136.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 137. In de literatuur wordt ook thans nog van deze rechtvaardiging uitgegaan (zie bijv. S. Cnossen en B. Jacobs (red.), Ontwerp voor een beter belastingstelsel, Amsterdam: ESB 2019, p. 260 waarin uitgegaan wordt van de vrijstelling voor de verhuur van woonruimte, omdat de levering van woonruimte na eerste ingebruikneming is vrijgesteld).
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 141.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 102.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 102.
De economische rechtvaardiging voor de vrijstelling van de verhuur van onroerend goed komt in de richtlijnhistorie minder duidelijk uit de verf.1 In de toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn wordt deze rechtvaardiging (net als in het rapport van Bours) genoemd, maar niet nader toegelicht. Uit het rapport van Bours kan niettemin afgeleid worden dat de economische rechtvaardiging niet ziet op elke vorm van verhuur van onroerend goed, maar alleen op de verhuur van woonruimte en de verpachting van landbouwgrond.2 Voor de economische rechtvaardiging is dus net als de sociale rechtvaardiging (zie paragraaf 7.3.1.2) de bestemming van het verhuurde onroerend goed beslissend.
De economische rechtvaardiging voor de vrijstelling van de verhuur van onroerend goed lijkt in de eerste plaats te zijn gelegen in het creëren van een gelijke btw-druk op het gebruik van de eigen woning en de huurwoning. Indien de eigenaar ter zake van het gebruik van zijn woning geen btw verschuldigd is (over fictieve huurprijzen), dan dient volgens Bours ook het gebruik van de huurwoning niet belast te zijn met btw.3 Daarnaast lijkt de economische reden voor de ‘verhuurvrijstelling’ te zijn gelegen in een (zoveel als mogelijke) gelijke btw-druk op eigen en gepachte landbouwgrond.4 Aangezien de levering van landbouwgrond niet belast is met btw – en geen enkele lidstaat dit wenste zolang de forfaitaire landbouwregeling in beginsel van toepassing is5 – diende volgens Bours ook de verhuur van landbouwgrond niet aan btw-heffing te zijn onderworpen.6 Een vrijstelling voor de verhuur van landbouwgrond voorkomt – aldus Bours – moeilijkheden bij het vaststellen van het landbouwforfait (lees: de forfaitair vastgestelde compensatie van de btw-voordruk7).8 Het heffen van btw op de verhuur van landbouwgrond zou betekenen dat het landbouwforfait verhoogd zou moeten worden. Een verhoogd landbouwforfait geldt echter voor iedere landbouwer die de landbouwregeling toepast, ongedacht of die landbouwer landbouwgrond huurt of niet. Dit ‘landbouwforfaitprobleem’ kon worden voorkomen door de verhuur van landbouwgrond vrij te stellen. Omdat de landbouwregeling een facultatieve regeling is9, gaat deze economische rechtvaardiging naar mijn mening uitsluitend op indien een lidstaat de landbouwregeling heeft geïmplementeerd.