Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.2.4:7.3.2.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.2.4
7.3.2.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606614:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De antiontgaansfunctie van de verbondenheidsbegrippen in art. 5 lid 2 Wet VPB 1969 zou kunnen worden benadrukt door aan te sluiten bij het begrip ‘belang in de zin van art. 10a lid 4 en 5 Wet VPB 1969. In plaats van 10% van het nominaal gestorte kapitaal zou dan een 10%-belang voldoende zijn om uitgezonderd te zijn van de subjectieve vrijstelling van art. 5 lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969. Hierdoor zou de bepaling ook van toepassing zijn in gevallen waarin belastingplichtigen juridisch beschouwd geen 10%-belang hebben, maar economisch wel.
Voorts zou kunnen worden overwogen om de familiekring op dezelfde wijze te omschrijven als in art. 10a lid 5 onderdeel b Wet VPB 1969. Laatstgenoemd begrip gaat uit van een vergelijkbare familiekring, waartoe eveneens ongehuwde samenwoners behoren. Dit begrip is enigszins ruimer, omdat de echtgenoot van een pleegkind en de pleegouder hierbij ook als verbonden personen worden beschouwd. Een dergelijke verruiming en uniformering zou naar mijn mening passen bij de antiontgaansfunctie van de verbondenheidsbegrippen in art. 5 lid 2 Wet VPB 1969.
Ten slotte pleit ik ervoor om voor ongehuwde samenwoners, die voor de toepassing van art. 5 lid 2 Wet VPB 1969 worden gelijkgesteld met gehuwden, een tegenbewijsmogelijkheid ten aanzien van hun verbondenheid te introduceren, omdat hun relaties minder stabiel kunnen zijn. Een en ander zal in paragraaf 7.3.7 en 7.3.8 nader worden uitgewerkt.