Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.2
4.2 Benoeming van OK-functionarissen bij onmiddellijke voorziening of bij eindvoorziening
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652420:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Haardt 1952, p. 233-234; Van der Grinten 1953, p. 72-73 en p. 95-96.
Commissie Verdam 1965, p. 8, p. 66-67, p. 70-71 en p. 73-75.
Wet van 10 september 1970 tot wijziging van de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel (Herziening van het enquêterecht), Stb. 1970, 411.
Beschikking van de minister van Justitie a.i. van 22 juli 1976, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van Boek 2 (Rechtspersonen) van het Burgerlijk Wetboek, zoals laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juni 1976 (Stb. 320), Stb. 1976, 395.
In art. 2:344 BW, waarover Parl. Gesch. Inv. Boek 2, p. 1474-1475.
Zie ook SER-advies 1988, p. 15-20 en p. 79-80.
Wet van 10 november 1988 tot invoering van een geschillenregeling in besloten vennootschappen en bepaalde naamloze vennootschappen, Stb. 1988, 516; Kamerstukken II 1984/85, 18905, 3, p. 28. Vgl. reeds Kamerstukken II 1968/69, 9596, 5, p. 20.
Van der Grinten 1989, p. 48; Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, Stb. 1993, 597.
Kamerstukken II 1991/92, 22400, 3, p. 15. Zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22400, 7, p. 3.
Wet van 19 april 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, het Wetboek van Strafvordering, de Politiewet 1993 en andere wetten (reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket), Stb. 1999, 194; Wet van 6 december 2001 tot aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, Stb. 2001, 581, waarover ook Kamerstukken II 2000/01, 27824, 3, p. 8.
HR 14 december 2007 (r.o. 3.6), NJ 2008/105, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM). Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 20 en p. 32; Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23; Kamerstukken II 2011/12, 32887, 7. Zie ook reeds HR 19 oktober 2001 (r.o. 3.6), NJ 2002/92, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2002/5, m.nt. F.J.P. van den Ingh (SkyGate); HR 14 september 2007 (r.o. 4.2), NJ 2007/611, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 2007/612); JOR 2007/238, m.nt. S.M. Bartman (onder JOR 2007/239) (Versatel).
Geerts 2004, p. 248-249, met verwijzingen.
SER-advies 1988, p. 15; Kamerstukken II 1991/92, 24000, 3, p. 15.
Eikelboom 2017, p. 229 en p. 249. Zie ook HR 14 december 2007 (r.o. 3.6), NJ 2008/105, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM).
HR 14 december 2007 (r.o. 3.6), NJ 2008/105, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2008/11, m.nt. A. Doorman (DSM). Zie ook HR 10 januari 1990 (r.o. 4.1), NJ 1990/466, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. P.D. Olden (Ogem).
HR 4 juni 1997 (r.o. 4.7.1), NJ 1997/671, m.nt. J.M.M. Maeijer; JOR 1997/82, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Text Lite).
Naar huidig recht kan de Ondernemingskamer zowel bij onmiddellijke voorziening als bij eindvoorziening OK-functionarissen benoemen. Op aangeven van Haardt en Van der Grinten1 ontwierp de Commissie Verdam voor het eerst een wettelijke regeling voor eindvoorzieningen in het enquêterecht in art. 54-54c WvK (voorstel), onder meer inhoudende de mogelijkheid tot tijdelijke aanstelling van een bestuurder of commissaris (art. 54a sub c WvK (voorstel)).2 De door de Commissie Verdam voorgestelde regeling van eindvoorzieningen werd grotendeels ongewijzigd overgenomen in het Wetboek van Koophandel 1971.3 Die regeling werd met de invoering van Boek 2 BW op haar beurt ongewijzigd overgenomen in art. 2:355-359 BW.4 Daarbij werd het toepassingsbereik van de wettelijke regeling wel uitgebreid tot BV’s5 en onderlinge waarborgmaatschappijen.6
In 1981 voorzag het Voorontwerp tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête voor het eerst in een regeling van onmiddellijke voorzieningen in de enquêteprocedure. Het Voorontwerp zocht uitdrukkelijk aansluiting bij de regeling van eindvoorzieningen in toen nog art. 2:356 sub a-e BW.7 Met de invoering van de geschillenregeling werd de lijst van eindvoorzieningen in art. 2:356 BW uitgebreid met de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer.8
De minister besloot uiteindelijk niet tot een uitdrukkelijke koppeling met de in art. 2:356 BW opgesomde voorzieningen in art. 2:349a lid 2 BW en sloot daarmee aan bij de opvatting van Van der Grinten.9 Onmiddellijke voorzieningen moeten volgens de minister steeds een ordemaatregel inhouden en sommige in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen, bijvoorbeeld het ontslag van bestuurders en commissarissen, dragen een te definitief karakter om als voorlopige voorziening te kunnen worden gekwalificeerd. Volgens de minister geldt dat onder omstandigheden niet voor de tijdelijke aanstelling van een bestuurder of commissaris of tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer.10 Inmiddels is de benoeming van een OK-bestuurder, OK-commissaris of OK-beheerder bij onmiddellijke voorziening ook gemeengoed.
Na enkele technische wetswijzigingen,11 werd het enquêterecht in 2013 meer ingrijpend gewijzigd. Art. 2:349a lid 2 BW werd gewijzigd en art. 2:349a lid 3 BW geïntroduceerd, inhoudende een codificatie van de DSM-beschikking van de Hoge Raad.12
De Ondernemingskamer kan dus zowel bij onmiddellijke voorziening als bij eindvoorziening OK-functionarissen benoemen. Bij onmiddellijke voorziening kan dat in elke stand van het geding – voorafgaand aan het gelasten van een onderzoek (art. 2:349a lid 3 BW), bij het gelasten van een onderzoek (art. 2:349a lid 2 BW) of gedurende het onderzoek en in de tweede fase (art. 2:355 lid 3 BW).13 Bij eindvoorziening kan dat indien de Ondernemingskamer wanbeleid vaststelt of heeft vastgesteld (art. 2:355 lid 1 BW). De benoeming van een OK-functionaris is tijdelijk, van een beperkte duur.14
De doelstellingen van onmiddellijke voorzieningen en eindvoorzieningen verschillen wel. Onmiddellijke voorzieningen zijn tijdelijke ordemaatregelen, die in de bedoeling van de wetgever worden getroffen ‘in afwachting van de uitslag van het onderzoek’,15 in afwachting van het moment dat eindvoorzieningen kunnen worden getroffen.16 Zij kunnen volgens art. 2:349a lid 2 BW hun rechtvaardiging vinden in de toestand van de rechtspersoon of het belang van het onderzoek. Eindvoorzieningen dienen ter correctie van vastgesteld wanbeleid, zo volgt uit art. 2:355 lid 1 BW. In DSM overwoog de Hoge Raad ook dat voor het treffen van eindvoorzieningen slechts plaats is ‘indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon.’17 Met de inzet van eindvoorzieningen kan de Ondernemingskamer wanbeleid beëindigen en de daaruit voortgevloeide gevolgen zoveel mogelijk ongedaan maken.18