HvJ 22 mei 2008 C-162/07.
HR, 26-05-2023, nr. 21/00236
ECLI:NL:HR:2023:786
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-05-2023
- Zaaknummer
21/00236
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑05‑2023
ECLI:NL:HR:2023:786, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑05‑2023; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:10511
- Vindplaatsen
NLF 2023/1204 met annotatie van Werner Gelderblom
V-N 2023/25.13 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/886 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
Belastingblad 2023/243 met annotatie van L.L.C. Blom
Sdu Nieuws Belastingzaken 2023/479
Viditax (FutD) 2023052613
FutD 2023-1344
Beroepschrift 26‑05‑2023
Uit het beroepschrift in cassatie van de staatssecretaris:
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 21/00236) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020, nr. 19/01378, inzake Stichting [X] te [Z] betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 5 februari 2021 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middelen van cassatie draag ik voor:
- I.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1, onderdeel a, artikel 4, artikel 9, tweede lid, onderdeel a en Tabel I, onderdeel b, post 3 en artikel 15, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB), doordat het Hof in r.o. 4.9 heeft geoordeeld dat belanghebbende met de gekozen structuur belastingvoordeel behaalt, maar dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit voordeel in strijd is met het doel van de bepalingen van de Btw-richtlijn en dat er dus geen sprake is van misbruik, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
- II.
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 1, onderdeel a artikel 9, tweede lid, onderdeel a en Tabel I, onderdeel b, post 3, artikel 11, eerste lid, onderdeel b, en artikel 15, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) en/of verzuim van vormen, doordat het Hof in r.o. 4.6 de terbeschikkingstelling van de sportaccommodatie aan de kinderopvanginstelling [A] aanmerkt als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
Vooraf
De voorliggende zaak vertoont de nodige gelijkenis met de bij uw Raad aanhangige procedure onder rolnummer 19/02640 betreffende het door mij ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2019, nrs. 18/00358 t/m 18/00366, ECLI:NL:GHARL:2019:3534.
Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. De gemeente [R] (hierna: de gemeente) is in de onderhavige tijdvakken eigenaar van het buitensportcomplex [B] te [Q]. De hoofdgebruiker van het complex is [C] (hierna: de vereniging of [C]).
De Beleidsnota van de gemeente van 18 augustus 2008 ‘Sport in Beeld, Beleidsnota Sport 2008–2012, Gemeente [R]’ (hierna: de Sportnota) vermeldt het volgende:
‘Uitgaande van deze voorwaarden en rekening houdend met de bestaande oude regelingen kiest de gemeente in dit sportbeleid voor een nieuwe regeling waarbij de verenigingen de volledige verantwoordelijkheid voor de gebouwen krijgen (dus zowel kteedgebouw/sanitair als kantine) en de gemeente de volledige verantwoordelijkheid voor de sportvelden. Voor veel verenigingen betekent dit een toename van de (financiële) lasten, dit wordt echter gecompenseerd doordat de gemeente de sportvelden om niet aan de verenigingen ter beschikking stelt.’
en verder:
‘Daartegenover staat het wegvallen van de huur (of ‘gebruiksvergoeding’ of andere benaming) van de sportvelden en kleedruimte/sanitair.
De voordelen voor de verenigingen van het oprichten van stichtingen waarin budgetneutraat vanuit de gemeente via verhuur (en compenserende subsidie voor die verhuur) velden worden ingebracht en van de zijde van de gemeente/verenigingen de kleedaccommodaties en kantines worden ingebracht, zijn de volgende. ’
en voorts:
‘De stichting biedt aan de verenigingen gelegenheid tot sportbeoefening. De verenigingen betalen daarvoor een vergoeding inclusief 6% btw. Uitgangspunt van het beleid is kostenneutraliteit voor de gemeente en voor alle verenigingen gezamenlijk.’
Om de btw-druk op de velden zo laag mogelijk te houden, beschrijft de Sportnota een manier om de btw uit te sparen. De essentie is dat de gemeente een sportaccommodatie niet meer rechtstreeks aan de sportvereniging ter beschikking stelt, maar via een op te richten stichting. Btw-aftrek op gratis ter beschikking gestelde velden is niet mogelijk, omdat de velden dan niet worden gebruikt voor btw-belaste handelingen. Om de btw op aanleg en onderhoud van (kunstgras)velden toch in aftrek te kunnen brengen, kiest de gemeente ervoor de velden (btw belast) te verhuren waarvoor het derhalve noodzakelijk is een huursom in rekening te brengen. Dit conflicteert niet met de gratis terbeschikkingstelling, want de vereniging ontvangt van de gemeente een ‘compenserende subsidie’ voor de huur van de velden. Hiermee betaalt de vereniging de huurprijs die de stichting voor de velden in rekening brengt en betaalt de stichting op haar beurt de door de gemeente berekende huurprijs.
Voor uitvoering van de Sportnota is de Stichting [X] (hierna: belanghebbende) opgericht.
Belanghebbende heeft tot doel:
- ‘a.
het ten behoeve van [C] (…) en waar mogelijk andere natuurlijke en rechtspersonen, gelegenheid geven tot beoefening van sport, spel en educatie in de breedste zin des woords, alsmede het ter beschikking stellen van de sportaccommodatie(s), inclusief daarmee samenhangende faciliteiten waaronder kleedkamers, bijbehorende velden en parkeerplaatsen waarvan [C] de hoofdgebruiker is en de exploitatie en het beheer verricht.
- b.
Het onder meer ter beschikking stellen van het door de Gemeente [R] beschikbaar gestelde complex, bijbehorende velden, oefenstroken en parkeerplaatsen.’
Op 20 december 2011 heeft belanghebbende met de gemeente een huurovereenkomst gesloten. De gemeente verhuurt met ingang van 1 januari 2012 de in deze overeenkomst beschreven velden, gelegen op [B], belast met btw aan belanghebbende voor een jaarlijkse huur van € 30.000, exclusief verschuldigde omzetbelasting.
Op 21 december 2011 heeft belanghebbende met de vereniging een overeenkomst gesloten tot het geven van gelegenheid tot beoefening van de voetbalsport. De gebruikersvergoeding, die de vereniging aan belanghebbende betaalt, bedraagt € 51.509,43 exclusief omzetbelasting over het jaar 2012.
Kasrondje
Belanghebbende betaalt € 30.000 exclusief btw per jaar aan de gemeente voor de velden conform artikel 3, lid 1 van de overeenkomst tussen gemeente en belanghebbende. Deze € 30.000 exclusief btw per jaar brengt belanghebbende als onderdeel van de gebruikersvergoeding in rekening aan [C] (artikel 4.1 van de overeenkomst). [C] ontvangt jaarlijks een bedrag van € 30.000 exclusief btw van de gemeente.
Stichting [A]
Op 8 december 2011 heeft belanghebbende met Stichting [A] (hierna: [A]) een overeenkomst tot het geven van gelegenheid tot het uitoefenen van een sport BSO gesloten. Het pedagogisch werkplan van september 2011 van de sport-bso te [Q] beschrijft welke activiteiten aangeboden worden vanuit de sport-bso.
Ad I
Het Hof heeft in r.o. 4.9 kort weergegeven geoordeeld dat de transacties tussen de gemeente en belanghebbende en tussen belanghebbende en [C] geen misbruik opleveren. Redengevend voor dit oordeel is hetgeen het Hof onder 4.7 en 4.8 overweegt.
In r.o. 4.7 overweegt het Hof dat belanghebbende in de gekozen structuur door de aftrek van btw een financieringsvoordeel behaalt en dat dit financieringsvoordeel inherent is aan het systeem van de btw zoals dat in de Btw-richtlijn is neergezet. In r.o. 4.8 overweegt het Hof dat belanghebbende met de gekozen structuur ook een tariefvoordeel behaalt. Aangezien belanghebbende naar het oordeel van het Hof gelegenheid geeft tot sportbeoefening als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a en Tabel I, onderdeel b, post 2, Wet OB is ook dit tariefvoordeel inherent aan het systeem van de btw. Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn standpunt dat door de transacties met belanghebbende de terbeschikkingstelling van de sportaccommodatie kunstmatig in de belaste sfeer is getrokken. Daarom is volgens het Hof geen sprake van een belastingvoordeel in strijd met het doel van de bepalingen van de Btw-richtlijn.
Naar mijn mening komt het Hof ten onrechte tot zijn oordeel dat geen sprake is van misbruik van recht.
Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), onder andere het arrest Ampliscientifica en Amplifin1. en het arrest Newey2. blijkt dat het beginsel van het verbod van misbruik van recht moet voorkomen dat volstrekt kunstmatige constructies worden opgezet die geen verband houden met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om een fiscaal voordeel te verkrijgen.
Uit punt 80 van het arrest Halifax3. blijkt dat de vraag of sprake is van misbruik van recht voor de btw moet worden beantwoord aan de hand van het neutraliteitsbeginsel. In dat licht moeten dan ook de twee criteria worden begrepen die het HvJ stelt aan misbruik en die als volgt luiden:
- 1.
De betrokken transacties leiden er, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden die worden opgelegd door de Btw-richtlijn en de nationale wettelijke regeling ter omzetting van die richtlijn, toe dat in strijd met het door deze bepalingen beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend;
- 2.
Uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.
Hoewel het Hof terecht overweegt dat het financieringsvoordeel door de aftrek en het tariefvoordeel door het verlaagde tarief op zichzelf niet tot een belastingvoordeel in strijd met het doel van de betrokken bepalingen van de Wet OB en de Btw-richtlijn leiden, is het Hof ten onrechte voorbijgegaan aan een aantal wezenlijke feiten die door de Inspecteur gesteld zijn.
In de verweerschriften voor de Rechtbank en het Gerechtshof heeft de Inspecteur uitgebreid de gang van zaken beschreven met betrekking tot de huursom die de vereniging aan belanghebbende betaalt. Kort gezegd komt het erop neer dat de vereniging een vergoeding betaalt aan belanghebbende voor de terbeschikkingstelling van de velden en gebouwen. Voor het deel van de vergoeding dat ziet op de velden wordt de vereniging gecompenseerd door de gemeente. Het Hof heeft dat in r.o. 2.13 ook vastgesteld. Resultaat van deze compensatie is dat de vereniging per saldo slechts betaalt voor de gebouwen. De vergoeding voor de terbeschikkingstelling van de velden heeft een volstrekt circulair karakter, zoals de Inspecteur blijkens r.o. 3.2 ook uitdrukkelijk heeft gesteld. Volgens de Sportnota hebben de gemeente en belanghebbende de velden om niet ter beschikking willen stellen aan de vereniging. Feitelijk is dit ook als zodanig bewerkstelligd.
Kunstmatigheid van de vergoeding is een van de elementen die kan leiden tot de vaststelling van misbruik. Ik verwijs in dat kader naar het arrest van 22 december 2010, C-103/09 (Weald Leasing). Het betoog van de Inspecteur over de kunstmatigheid van de vergoeding moet dus mede worden begrepen als een onderbouwing van de stelling dat de transacties in het onderhavige geval — waaronder het tussenschuiven van belanghebbende — als misbruik moeten worden aangemerkt.
Uit het arrest Weald Leasing volgt dat de vaststelling van misbruik voortvloeit uit het voorwerp, de doelstelling en de gevolgen van de handelingen. In de procestaai van dat arrest verwoordt het HvJ dit als volgt (cursief en onderstreept van mijn hand):
- ‘39.
That being so, the national court will have to determine, first, whether the contractual terms of the leasing transactions at issue in the main proceedings are contrary to the Sixth Directive and of the national legislation transposing it. That would particularly be the case if the rentals were set at levels which were unusually low or did not reflect any economic reality.’
De omstandigheid dat partijen de betaling van de huurprijs op een circulaire wijze hebben vormgegeven, zodanig dat de gemeente uiteindelijk ‘met haar eigen geld betaald wordt’, is een relevante omstandigheid voor de vaststelling van misbruik.
De economische realiteit is dus dat de gemeente de velden om niet ter beschikking stelt aan de vereniging. De onderhavige zaak is daarom vergelijkbaar met die welke heeft geleid tot het arrest van uw Raad van 6 juli 2018, nr. 17/05461, ECLI:NL:HR:2018:1087.
Het neutraliteitsbeginsel, dat fundamenteel is voor het btw-stelsel, vergt dan dat de onderhavige situatie op dezelfde wijze wordt belast als die waarin een gemeente om niet velden ter beschikking stelt aan een sportvereniging en een stichting het clubgebouw tegen vergoeding ter beschikking stelt aan de sportvereniging.
Aangezien het clubgebouw geen sportaccommodatie is, kan de terbeschikkingstelling hiervan niet delen in het verlaagde tarief van Tabel I, b 3. Met betrekking tot het clubgebouw kan dan alleen sprake zijn van vrijgestelde verhuur (artikel 11, lid 1, letter b, Wet OB)4.. In deze situatie heeft dus geen van de betrokken partijen recht op aftrek van voorbelasting. Dat betekent dat belanghebbende in het onderhavige geval in strijd met doel en strekking van artikel 15, lid 1, Wet OB en artikel 168 Btw-richtlijn btw in aftrek heeft gebracht.
Het Hof is aan dit aspect ten onrechte voorbijgegaan.
Volledigheidshalve besteed ik nog aandacht aan het door het Hof gestelde in r.o. 4.8 dat voor de oprichting van belanghebbende meer verklaringen bestaan dan louter het verkrijgen van een belastingvoordeel. Evenals in het hierboven al aangehaalde arrest van uw Raad van 6 juli 2018 is deze omstandigheid op zich niet bepalend voor de beoordeling of de transacties met belanghebbende misbruik van recht opleveren.
Bovendien past deze overweging veeleer in het tweede criterium voor misbruik uit Halifax (het zogenoemde doelcriterium). Voor zover uw Raad in deze opmerking van het Hof een weerlegging mocht begrijpen van de tweede voorwaarde voor misbruik, is een dergelijke conclusie in strijd met de opbouw en indeling van de uitspraak van het Hof in de r.o. 4.7 tot en met 4.9 dan wel kan een dergelijke conclusie niet zonder nadere motivering worden getrokken. Uit de door het Hof vastgestelde feiten — met name de geciteerde Sportnota in r.o. 2.1 en 2.3 — blijkt immers veeleer dat het btw-voordeel het wezenlijke doel van de transacties met belanghebbende vormt.
Mitsdien acht ik het oordeel van het Hof dat geen sprake is van misbruik rechtens onjuist dan wel in het licht van de vaststaande feiten zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
Ad II
Het Hof heeft onder 4.6 geoordeeld dat de terbeschikkingstelling van de sportaccommodatie aan de kinderopvangorganisatie [A] het geven van gelegenheid tot sportbeoefening is als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a en Tabel I, onderdeel b, post 3, van de Wet OB en dus belast is naar het verlaagde tarief. Het Hof heeft daarvoor redengevend geacht dat de kinderen in de opvang veel aan sport doen. Volgens het Hof is voor de toepassing van het verlaagde tarief van Tabel I, b, 3, Wet OB niet van belang waarvoor de afnemer de accommodatie gebruikt. Bovendien is het volgens het Hof vanwege de vrijstelling van kinderopvang niet in strijd met het doel van de Wet OB en de Btw- richtlijn dat de btw-druk op kinderopvang zo laag mogelijk is.
Naar mijn mening komt het Hof ten onrechte tot het oordeel dat de terbeschikkingstelling van de sportaccommodatie aan de kinderopvanginstelling [A] het geven van gelegenheid tot sportbeoefening als bedoeld in Tabel I, onderdeel b, post 3, Wet OB is.
Uit de wetsgeschiedenis van genoemde Tabel I, onderdeel b, post 3, blijkt dat het verlaagde tarief voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening is ingevoerd om een soepelere btw-behandeling van commerciële sportaccommodaties voor actieve sportbeoefening te bewerkstelligen. Het argument daarvoor was dat de toegang tot sportbeoefening laagdrempelig moet zijn om de actieve sportbeoefening zoveel mogelijk te bevorderen.5. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat voor niet-commerciële sportaccommodaties het verlaagde tarief in de plaats is gekomen van de tot dan toe geldende vrijstelling krachtens artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB. Het verlaagde tarief geldt voor de situaties waarin de sporters het recht verleend wordt gebruik te maken van een sportaccommodatie zonder dat hun een exclusief recht op het gebruik daarvan toekomt.6. Hieruit blijkt dat het recht om gebruik te maken van de sportaccommodatie moet worden verleend aan sporters die aldaar hun sport beoefenen of aan instellingen die sporters onder hun leiding laten sporten.7. Bij die laatstè categorie valt te denken aan sportverenigingen die hun leden en eventueel derden laten sporten of aan onderwijsinstellingen die de sportaccommodatie gebruiken voor de lessen lichamelijke opvoeding.
In tegenstelling tot wat het Hof overweegt in r.o. 4.6 is het voor de toepassing van Tabel I, onderdeel b, post 3 dus van belang waarvoor de afnemer de sportaccommodatie gebruikt. De terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie voor het houden van een verjaardagsfeest of een beurs kan dus niet delen in het verlaagde tarief. In die gevallen dient beoordeeld te worden of de terbeschikkingstelling van de accommodatie moet worden aangemerkt als vrijgestelde verhuur dan wel als een andersoortige prestatie.
De sportaccommodatie moet dus gebruikt worden voor de sportbeoefening. Wat als sportbeoefening moet worden aangemerkt, valt af te leiden uit het arrest Mësto Zamberk. Daarin heeft het HvJ geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 132, eerste lid, onderdeel m, Btw-richtlijn iedere vorm van sportbeoefening in aanmerking komt ongeacht niveau, organisatorisch verband of frequentie, voor zover deze activiteit evenwel niet louter ter ontspanning en vermaak wordt uitgeoefend.8.
[A] exploiteert in de sportaccommodatie een zogenoemde sport-BSO. Uit de door de Inspecteur gestelde feiten blijkt dat [A] volgens haar pedagogisch werkplan in de sportaccommodatie een veelheid van activiteiten aanbiedt, waaronder 1 uur sport per dag. Naast het uur sport kunnen de kinderen onder andere koekjes bakken, knutselen, computeren en onder begeleiding huiswerk maken.9. Dit blijkt ook uit de door de Inspecteur ingebrachte observatie van de GGD tijdens de inspectie van de sport-BSO van [A].10. Daaruit blijkt dat [A] de sportaccommodatie niet alleen of zelfs maar overwegend gebruikt om de kinderen te laten sporten, maar een breed scala aan activiteiten voor de vrijetijdsbesteding aanbiedt. Dat is ook in overeenstemming met de door de Inspecteur in het geding gebrachte tekst op haar website:
‘De BSO biedt kinderen een plek waar ze kunnen ontspannen en waar men uitdagingen vindt, want BSO-tijd is vrije tijd!’ 11.
Het gebruik van de accommodatie door [A] kan dus niet gekwalificeerd worden als sportbeoefening. De terbeschikkingstelling van de accommodatie door belanghebbende aan [A] kwalificeert dus niet als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening als bedoeld in Tabel I, onderdeel b, post 3, Wet OB. Het andersluidende oordeel van het Hof gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Uit de door de Inspecteur gestelde feiten blijkt verder dat belanghebbende aan [A] het exclusieve gebruiksrecht van de sportaccommodatie verschaft ten behoeve van de BSO.12. Dit blijkt evenzeer uit de verklaring van belanghebbende op pagina 4 van het proces-verbaal van de zitting bij het Hof dat [A] tot 17.30 uur het exclusieve gebruik van het hoofdveld heeft alsmede het gebruik van het clubgebouw. Naar mijn mening heeft deze vorm van terbeschikkingstelling van de accommodatie door belanghebbende aan [A] de wezenlijke kenmerken van verhuur van een onroerende zaak, zoals deze bijvoorbeeld blijken uit het arrest Temco.13. Deze verhuur is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, Wet OB. 's Hofs andersluidende oordeel gaat dan ook uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 26‑05‑2023
HvJ 20 juni 2013 C-653/11.
HvJ 21 februari 2006, C-255/02.
Dit is in overeenstemming met de uitspraak van Rechtbank Gelderland
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, 2001–2002, 28 015, p. 5.
Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, 2001–2002, 28 015, p. 29.
Zie ook HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0934, r.o. 3.3.
HvJ 21 februari 2013 C-18/12 (Mësto Zamberk) punt 22.
Verweerschrift inspecteur in eerste aanleg, p. 8, punten 3.25 en 3.26, verweerschrift inspecteur in hoger beroep, p. 5 en bijlage 51.
Verweerschrift inspecteur in hoger beroep, p. 5–6 en bijlage 52.
Verweerschrift inspecteur in hoger beroep, p. 6 en bijlage 53.
Verweerschrift inspecteur in eerste aanleg, p. 8, punt 3.24 en bijlage 31.
HvJ 18 november 2004, C-284/03 (Temco), punt 19.
Uitspraak 26‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; art. 3, lid 3, aanhef en letter b (oud), art. 11, lid 1, letter b, Wet OB; post b.3 van de bij de Wet OB behorende Tabel I; post 14 van Bijlage III bij BTW-richtlijn 2006; vervaardiging clubgebouw; integratielevering ter zake van terbeschikkingstelling clubgebouw aan voetbalvereniging respectievelijk een organisatie voor buitenschoolse kinderopvang gericht op sport; geen vrijgestelde prestatie.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00236
Datum 26 mei 2023
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020, nr. 19/013781., op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 18/5186) betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2012 tot en met 30 september 2012 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.G.D. Pot en D. Visser, heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Bij die conclusie van repliek heeft de Staatssecretaris het door hem voorgestelde middel I laten vallen.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De gemeente [R] (hierna: de gemeente) is eigenaar van een sportcomplex met bijbehorende velden, oefenstroken en parkeerplaatsen (hierna: het sportpark).
2.2
Belanghebbende, een stichting, is opgericht met het doel om de plaatselijke voetbalvereniging (hierna: de voetbalvereniging) als hoofdgebruiker en waar mogelijk andere (rechts)personen gelegenheid te geven tot beoefening van sport, spel en educatie op het sportpark. In december 2011 heeft de gemeente met belanghebbende een overeenkomst gesloten waarbij zij drie, op het sportpark gelegen sportvelden aan belanghebbende verhuurt, dit met toepassing van artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2012; hierna: de Wet). Daarnaast heeft de gemeente belanghebbende tegen vergoeding van € 1 per jaar een recht van opstal verleend op delen van het sportpark en daarbij belanghebbende de verplichting opgelegd om op die delen een clubgebouw op te richten, bestaande uit kleedkamers, sanitaire ruimten, kantine, bestuurskamer en terras. Belanghebbende heeft zich eveneens ertoe verplicht het clubgebouw te laten inspecteren, te onderhouden, te herstellen en te vervangen.
2.3
Eveneens in december 2011 heeft belanghebbende met een instelling voor kinderopvang (hierna: de Stichting) een overeenkomst gesloten waarbij zij de Stichting – na realisering van het clubgebouw – tegen vergoeding gelegenheid geeft om op het sportpark buitenschoolse opvang te verzorgen die is gericht op sportbeoefening (een zogenoemde sport-BSO). In deze overeenkomst is vastgelegd dat belanghebbende drie grasvelden, een eventuele tribune, de kleed- en doucheaccommodaties, de verzorgingsruimte, de opslagruimte, de vergaderruimte, de verblijfsruimten en sport- en spelmateriaal aan de Stichting ter beschikking stelt en dat de Stichting de faciliteiten uitsluitend zal gebruiken voor de beoefening van sport in de meest ruime zin van het woord maar wel en strikt binnen de uitoefening van een sport-BSO. Verder heeft belanghebbende zich tegenover de Stichting ertoe verplicht om als exploitant de volgende bijkomende leveringen en diensten te (laten) verzorgen, te weten de levering van energie, gas en water, (eventueel) schoonmaakdiensten, (eventuele) diensten van (brand)beveiliging alsmede gebruik van materialen (zoals ballen en attributen).
2.4
Ook in december 2011 heeft belanghebbende met de voetbalvereniging een overeenkomst gesloten tot het tegen vergoeding geven van gelegenheid tot beoefening van de voetbalsport. De voetbalvereniging krijgt daarvoor de beschikking over drie grasvelden, een eventuele tribune, en – na realisering van het clubgebouw – kleed- en doucheaccommodaties, de verzorgingsruimte, de opslagruimte, de vergaderruimte, de verblijfsruimten en het sport- en spelmateriaal.
2.5
Belanghebbende heeft in de periode januari 2012 tot en met september 2012 het clubgebouw doen bouwen op de aan de gemeente toebehorende grond. Belanghebbende heeft de ter zake van de bouw aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek gebracht. Zij heeft het clubgebouw op 1 september 2012 in gebruik genomen door uitvoering te geven aan de hiervoor in 2.3 en 2.4 bedoelde overeenkomsten met de Stichting en de voetbalvereniging.
2.6
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het tegen vergoeding ter beschikking stellen van het clubgebouw en de sportvelden aan zowel de Stichting als de voetbalvereniging in de gegeven omstandigheden moet worden aangemerkt als verhuur van onroerende zaken zoals bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet en dat de ter zake van die prestaties in rekening gebrachte vergoedingen daarom zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Om die reden had belanghebbende volgens de Inspecteur ter zake van de ingebruikneming van het clubgebouw op grond van artikel 3, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet een zogenoemde integratielevering in aanmerking moeten nemen. De Inspecteur heeft bij de onderhavige aanslag ter zake van dat belastbare feit omzetbelasting nageheven.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in geschil of de diensten die belanghebbende tegen vergoeding jegens de Stichting en de voetbalvereniging verricht, moeten worden aangemerkt als van omzetbelasting vrijgestelde verhuur van onroerende zaken in de zin van artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet.
3.2.1
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1407, heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat bij de beantwoording van de vraag of het dienstbetoon van belanghebbende meer omvat dan de passieve verhuur van onroerende zaken, van belang is wie verantwoordelijk is voor het toezicht op en het onderhoud, het beheer en de schoonmaak van de desbetreffende onroerende zaak.
3.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval de gehele sportaccommodatie (dus de drie velden, het clubgebouw en de installaties; hierna: de sportaccommodatie) in de beoordeling moet worden betrokken. Het Hof heeft verder geoordeeld dat belanghebbende verantwoordelijk is voor het onderhoud, het beheer en de schoonmaak van de sportaccommodatie en dat zij, voor zover toezicht nodig is, dat toezicht op afstand uitoefent. De dienst die belanghebbende jegens de voetbalvereniging en de Stichting verricht, omvat volgens het Hof dan ook meer dan de passieve verhuur van onroerende zaken.
3.2.3
Daarop aansluitend heeft het Hof geoordeeld dat de hiervoor in 3.2.2 bedoelde, door belanghebbende verrichte dienstverlening moet worden beschouwd als het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie. Naar het oordeel van het Hof is er in dit verband geen aanleiding om de dienst aan de Stichting anders te behandelen dan de dienst aan de voetbalvereniging. Het Hof heeft namelijk geen duidelijke aanwijzing gevonden dat de prestaties van belanghebbende tegenover de Stichting respectievelijk de voetbalvereniging wezenlijk van elkaar verschillen. De objectieve kenmerken van de prestatie die belanghebbende verricht, zijn naar het oordeel van het Hof doorslaggevend. Volgens het Hof is in dit verband niet van belang waarvoor de afnemer (de Stichting of de voetbalvereniging) de sportaccommodatie gebruikt.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het door de Staatssecretaris gehandhaafde middel II richt zich tegen de hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen op grond waarvan het Hof heeft aangenomen dat de dienst die belanghebbende verricht meer omvat dan de passieve verhuur van onroerende zaken als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, van de Wet. Het middel betoogt dat – anders dan het Hof heeft overwogen – wel van belang is of de afnemer de sportaccommodatie gebruikt voor sportbeoefening zoals bedoeld in post b.3 van de bij de Wet behorende Tabel I. Het gebruik dat de Stichting van de sportaccommodatie maakt, kan volgens het middel niet als sportbeoefening worden aangemerkt en kan daarom niet onder post b.3 van de bij de Wet behorende Tabel I worden gebracht. Uit de door de Inspecteur gestelde feiten blijkt verder, aldus het middel, dat belanghebbende aan de Stichting het exclusieve gebruiksrecht van de sportaccommodatie verschaft ten behoeve van de buitenschoolse opvang. Een dergelijke terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie is dan op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet vrijgesteld van omzetbelasting, aldus nog steeds het middel.
4.2
De hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven oordelen van het Hof en de daarop gebaseerde slotsom dat de prestaties van belanghebbende meer omvatten dan passieve verhuur van onroerende zaken, geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard in de cassatieprocedure niet op juistheid worden getoetst. Bij die beoordeling is, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, niet van belang of de Stichting en de voetbalvereniging de sportaccommodatie tijdens de terbeschikkingstelling ervan gebruiken op een wijze die voldoet aan de criteria voor toepassing van het verlaagde omzetbelastingtarief op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post b.3 van de bij de Wet behorende Tabel I. Het al dan niet passieve karakter van de verhuur van onroerende zaken wordt immers bepaald door de aard van de handeling zelf en is niet afhankelijk van de wijze waarop de huurder het betrokken goed gebruikt.2.
4.3
In deze cassatieprocedure moet daarom ervan worden uitgegaan dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet niet van toepassing is ter zake van de door belanghebbende verrichte handelingen – een dienst van meer dan passieve verhuur – jegens zowel de Stichting als de voetbalvereniging. Dit brengt mee dat de Inspecteur ten onrechte heeft aangenomen dat belanghebbende ter zake van de ingebruikneming van het clubgebouw op grond van artikel 3, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet een integratielevering in aanmerking had moeten nemen. De naheffingsaanslag kan daarom niet op een dergelijke levering worden gebaseerd.
4.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen, faalt het middel.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2023.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 541.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑05‑2023
Vgl. HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1407, rechtsoverweging 3.3.3.