Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.3.1.2
3.3.1.2 Gewerbesteuer
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394713:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Gewerbesteuer wordt ook wel “Realsteuer”, “Sachsteuer”, of “Objektsteuer” genoemd.
Het Bundesverfassungsgericht oordeelde dat het niet belasten van Gewerbesteuer van beroepsoefenaars niet in strijd is met de Grondwet (Bundesverfassungsgericht, 15-01-2008, 1 BvL 2/04 BVerfGE 120, 1).
Sinds 2003 geldt een minumum-Hebesatz van 200%. Deze is ingevoerd, omdat sommige gemeenten een Hebesatz van 0% hanteerden, waaronder - het door het zijn van een Gewerbesteuer oase bekend geworden - Norderfriedrichskoog.
EY, Studie: Aspecten van de Duitse Gewerbesteuer, blz. 70. Zie ook R.Hütteman, Besteuerung von Unternehmen – Entwicklungen und Ausdifferenzierung, StuW 1/2014, blz. 61.
Tipke, die Steuerrechtsordnung 2e Auflage, Otto-Schmidt, 2003, blz. 1133. Zie ook H. Zitzelsberger, Grundlagen der Gewerbesteuer, Habilitationsschrift 1990.
Voor een overzicht zie ook W. Muhl, Plannen voor een hervorming van de belastingheffing op ondernemingen in de Bondsrepubliek Duitsland, WFR 1990/1206, paragaraaf 4.1.
In vergelijking met andere inkomsten werden de inkomsten uit een Gewerbe als bijzonder zeker en winstgevend aangemerkt, omdat de inkomsten op een sterk fundament (bedrijfskapitaal) zouden rusten.
Müller-Gatermann, Unternehmensteuerreform 2008, Stbg 2007, 145, 148.
Glanegger/Güroff/Selder, GStG, 2006, 6e druk, München, §8 Rz. 1.
J. Hey, Verletzung fundamentaler Besteuerungsprinzipen durch die Gegenfinanzierungmassnahmen des Unternehmenssteuerreformgesetzes 2008, BB 2007, blz. 1303, 1307.
Ernst & Young, Studie: Aspecten van de Duitse Gewerbesteuer, blz. 71.
BVerfG, 15 januari 2008, 1 BvL 2/04.
Zie hierover J. Lang, Steuergerechtigkeit, StuW 2/2016, blz. 112.
Zie ook. A.J.A. Stevens, De Duitse Gewerbesteuer – anomalie in het veelkleurige land van de gemeentelijke belastingen? In: Lofzang op lokale heffingen (Monsma-bundel), SDU Uitgevers (2009), blz. 209-212. Stevens beschrijft in paragraaf 4 van desbetreffende bijdrage ook enkele aangedragen oplossingen.
J. Lang in Tipke/Lang19, Steuerrecht, §8, Rz. 96.
Zie bijvoorbeeld, Stiftung Marktwirtschaft, Steuergesetzbuch, Berlin, 30 januari 2006, blz. 16 en P. Kirchhof, Bundessteuergesetzbuch, C.F. Müller, 2011, blz. 7, blz. 18 en 19.
Tipke, die Steuerrechtsordnung 2e Auflage, Otto-Schmidt, 2003, blz. 1133.
Lichamen die een activiteit (Gewerbetrieb) in Duitsland uitoefenen zijn Gewerbesteuer verschuldigd. De Gewerbesteuer is een gemeentelijke ondernemingsbelasting, waarbij belasting over het object wordt geheven.1 Het voorwerp van belastingheffing is niet de ondernemer of vennootschap zelf maar de ondernemingsactiviteit als zodanig. Gewerbesteuer wordt geheven uit hoofde van het Gewerbesteuergesetz (GewStG). Als een onderneming meerdere activiteiten (Betriebstätte, “vaste inrichtingen’’) in verschillende gemeenten heeft, dan wordt de winst aan de hand van loonsommen verdeeld over de verschillende gemeenten (Zerlegung, §2, Abs.1 GewStG en §29 GewStG). Kapitaalvennootschappen zijn op grond van een fictie altijd onderworpen aan de Gewerbesteuer (§2, Abs.1 GewStG). Aangezien de Gewerbesteuer aansluit bij het object is deze niet alleen op lichamen van toepassing die vergelijkbaar zijn met de subjectief aan vennootschapsbelasting onderworpen lichamen in Nederland, maar ook op bijvoorbeeld eenmanszaken of personenvennootschappen. De Gewerbesteuer werkt dus in die zin rechtsvormneutraal uit. Beroepsbeoefenaars, zoals (zelfstandige) belastingadviseurs, notarissen en advocaten zijn niet onderworpen aan de Gewerbesteuer. Aangenomen wordt dat zij geen bedrijf hebben, maar een zelfstandig beroep. Zij zouden minder gebruik maken van de openbare infrastructuur.2 De Gewerbesteuer streeft naast rechtsvormneutraliteit ook naar financieringsneutraliteit. Dit wordt bewerkstelligd door financierings- en huurlasten maar gedeeltelijk in aftrek toe te laten (§8, Abs.1 GewStG).
De belastinggrondslag in de Gewerbesteuer wordt bepaald door de belastinggrondslag voor de Körperschaftsteuer (en/of Einkommensteuer) als uitgangspunt te nemen. Vervolgens vindt er een aantal correcties plaats (Hinzurechnungen en Kürzungen, §8 en §9 GewStG). De Hinzurechnungen zorgen ervoor dat de hierboven al aangeduide financierings- en huurlasten voor de Gewerbesteuer maar gedeeltelijk in aftrek worden gelaten. Bij Kürzungen gaat het in bijzonder om toepassing van objectvrijstellingen (buitenlandse winst elimineren en toepassing van de deelnemingsvrijstelling). Tot de wetswijzigingen in 2008 (Unternehmensteuerreform 2008) was de Gewerbesteuer aftrekbaar bij de berekening van de winst voor de Einkommensteuer, Körperschafsteuer en voor de Gewerbesteuer zelf, hetgeen het objectieve karakter van de Gewerbesteuer weergeeft. Deze aftrekbaarheid is bij de genoemde belastinghervorming echter afgeschaft als grondslagverbredende maatregel. Het gevolg hiervan is dat de Gewerbesteuer politiek en financieel gezien een nog belangrijkere positie heeft gekregen voor gemeenten. Het bij de Gewerbesteuer van toepassing zijnde tarief wordt per gemeente afzonderlijk vastgesteld. Het tarief van de Gewerbesteuer wordt bepaald door het zogenoemde Steuermesszahl en de Hebesatz. Het Steuermesszahl (§11, Abs. 2 GewStG) wordt vastgesteld door de staat; deze bedraagt per 1 januari 2018 3,5%. De gemeente kan de Hebesatz (§16 GewStG) zelf vaststellen; afhankelijk van de gemeente waar het lichaam is gevestigd varieert deze tussen de 200% en 500%.3 Het uiteindelijke Gewerbesteuertarief ligt daardoor ergens tussen de 7% en 17,5%. Voor berekeningen van de belastingdruk wordt vaak (als gemiddelde) een tarief van 14% genomen.
De Gewerbesteuer vormt voor Duitse gemeenten de belangrijkste inkomstenbron en is dus (economisch en) budgettair gezien enorm belangrijk. EY geeft als voornaamste reden voor de Gewerbesteuer de vaste verankering in het Duitse belastingsysteem en de relatieve garantie voor de kapitaalkrachtigheid van de gemeenten.4 Het is mij opgevallen dat men in de wetenschap met name zeer negatief is over de (huidige invulling van de) Gewerbesteuer. Tipke schrijft bijvoorbeeld dat geen enkele andere belasting over de jaren in Duitsland zo zwaar bekritiseerd is als de Gewerbesteuer.5 De voornaamste kritiekpunten op de Gewerbesteuer die ik tegenkwam, zijn6:
De Gewerbesteuer kent geen duidelijke rechtsgrondslag (de rechtsgrondslag van de Gewerbesteuer wordt nader toegelicht in hoofdstuk 3.3.3), met name waarom op gemeentelijke niveau zou moeten worden geheven. De zogenoemde Fundustheorie7 wordt als achterhaald beschouwd en het Äquivalenzprincipe wordt niet geschikt geacht als grondslag voor de huidige vormgeving van de Gewerbesteuer. Het principe zou te vaag zijn om een belastingheffing op het concrete gebruik van openbare middelen te waarborgen. Infrastructurele voorzieningen van de gemeenten worden niet alleen door commerciële bedrijven gebruikt, zodat alle (als ondernemers actieve) burgers een Gewerbesteuer zouden dienen te betalen.8
Systematisch mankeert er veel aan de Gewerbesteuer. Zo wordt bekritiseerd dat de gedeeltelijke Hinzurechnung van rente in strijd is met het karakter van een objectbelasting.9
Doordat de financierings- en huurlasten maar gedeeltelijk in aftrek worden toegelaten, maakt de Gewerbesteuer inbreuk op één van de belangrijkste beginselen in het Duitse belastingrecht, namelijk het Nettoprinzip.10 Dit principe houdt in dat zowel uitgaven als verliezen die in direct economisch verband staan met het verkrijgen van inkomsten, van de berekeningsgrondslag van de belasting moeten worden afgetrokken, omdat zij het prestatievermogen van het belastingsubject doen afnemen.11
De Gewerbesteuer zou in strijd zijn met de Duitse grondwet (“Verfassung’’). Alhoewel het Duitse Bundesverfassungsgericht uiteindelijk oordeelde dat de Gewerbesteuer geen inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel,12 kan men daar ook anders over denken aangezien de Gewerbesteuer bijvoorbeeld niet van toepassing is op de vrije beroepsbeoefenaren.13
De Gewerbesteuer leidt niet tot een stabiele inkomensbron voor de Duitse gemeenten. De Gewerbesteuer is gevoelig voor conjuncturele schommelingen. In economische slechte tijden vallen de Gewerbesteuer opbrengsten lager uit, terwijl gemeenten aan de andere kant in economische slechte tijden juist meer uitgaven hebben vanwege bijvoorbeeld sociale verzekeringsuitkeringen.14
In internationale context bestaan de nadelen eruit dat de Gewerbesteuer de verrekening van buitenlandse belastingen niet toestaat en vanwege de Hinzurechnungen geen aantrekkelijke locatie creëert voor financieringsmaatschappijen.
Lang vat een aantal van bovenstaande kritiekpunten samen in de zin: “[…] die Gewerbesteuer ist weder nach dem Leistungsfähigkeitsprinzip noch nach dem Äquivalenzprinzip zu rechtfertigen und verletzt daher den Gleichheitssatz’’.15 Al jaren wordt er vanuit (met name) de wetenschap gepleit voor afschaffing van de Gewerbesteuer.16 De enige reden waarom de Gewerbesteuer nog bestaat, is volgens Tipke het volhardingsvermogen en de macht van gemeenten, gemeentelijke verenigingen en gemeentelijke politici om veranderingen te voorkomen; “Für Steuersystematik haben sie sich nie interessiert’’, aldus (een mijns inziens licht gefrustreerde) Tipke.17