Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/8.2.2
8.2.2 De Nederlandse stichting als APV
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232816:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de achtergrond van het uitkeringsverbod bijvoorbeeld Van Veen 2012, met name paragraaf 2 en Reijnen, WPNR 2013/6989.
De heersende leer in de literatuur is overigens dat het verbod op uitkeringen aan oprichters en leden van de organen van de stichting ziet op personen in die hoedanigheid, zodat ook een bestuurder van de stichting wel een uitkering (met een ideële of sociale strekking) zou kunnen ontvangen, indien deze uitkering geheel losstaat van zijn hoedanigheid van bestuurder (zie Reijnen, WPNR 2013/6989, pagina 793 – 794).
Vergelijk Reijnen, WPNR 2013/6989, pagina 794 en de aldaar aangehaalde literatuur. Reijnen omschrijft een uitkering in de zin van het uitkeringsverbod als een onverplichte prestatie van de stichting, waartegenover geen gelijkwaardige tegenprestatie staat.
Aldus Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/658 (in relatie tot certificering, maar hetzelfde principe zou mijns inziens toepasbaar moeten zijn op andere verplichtingen dan die voortvloeien uit de beheersovereenkomst tussen de certificaathouder en de STAK).
Zie Van Veen 2012, pagina 391.
Van Veen 2012, paragrafen 4.7.2 en 4.7.3.
Een vergelijkbare benadering wordt door de Hoge Raad gevolgd in zijn arrest van 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3639, BNB 2007/18, dat betrekking heeft op de wijze waarop periodieke uitkeringen, in casu uit een trust, belast werden. De fiscale behandeling van de uitkeringen hing af van het antwoord op de vraag of de uitkeringen de tegenwaarde voor een prestatie vormden. De Hoge Raad overweegt dat dit beoordeeld moet worden vanuit het perspectief van de debiteur, in casu de trustee. Het gaat erom of degene die de uitkeringen is verschuldigd, een prestatie heeft genoten waarin het ontstaan van de verplichting tot het doen van de uitkeringen zijn grond vindt. Het onderbrengen van vermogen in de trust is aan te merken als een zodanige prestatie. Hoewel dit een fiscaal arrest betreft, is de beantwoorde rechtsvraag van civielrechtelijke aard, zodat hetgeen de Hoge Raad in dat verband overweegt ook in civielrechtelijke context mijns inziens niet zonder betekenis is.
Vergelijk in dit verband ook Reijnen, WPNR 2013/6989, pagina 795, die aangeeft dat indien een stichting vermogen aanwendt in overeenstemming met haar doel, sprake is van het voldoen aan een verplichting, zodat geen sprake is van een uitkering. Aangezien de inbreng van vermogen in een familiestichting (of een STAK) plaatsvindt onder de impliciete of expliciete voorwaarde om dit vermogen aan te wenden binnen een bepaalde kring van personen, is het uitvoeren hiervan zijns inziens geen (verboden) uitkering, maar het voldoen aan een verplichting. Zie voorts M.U.M.A. Waaijer-Linders, Trust in de familiestichting, WNPR 2010/6848, paragraaf 6.1, die meent dat bij een familie- of APV-stichting geen sprake is van strijd met het uitkeringsverbod, omdat de stichting bij het doen van uitkeringen een verplichting nakomt uit de met de inbrenger van het vermogen gesloten overeenkomst.
In paragraaf 8.6 wordt ingegaan op de kwalificatie van deze overeenkomst en de vraag of sprake kan zijn van een schenking die de legitieme portie kan schenden.
Zie voor de fixed trust en discretionary trust nader paragraaf 8.2.3.6.
Kort gezegd heffing van schenkingsrecht tegen derdentarief (tot 68%) over de inbreng in de familiestichting indien de inbrenger (al dan niet fictief) in Nederland woonachtig was), gezien HR 18 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:BI5819, ECLI:NL:HR:1998:AA2566 en ECLI:NL:HR:1998:AA2567, BNB 1999/35 – 37.
Zie voor de APV-regeling hoofdstuk 14.
De Nederlandse stichting leent zich niet van nature voor het gebruik als familiestichting. Dit wordt veroorzaakt door het zogenoemde uitkeringsverbod van artikel 2:285 lid 3 BW, op grond waarvan het doel1 van de stichting niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan haar oprichters of leden van haar organen, noch het doen van uitkeringen aan anderen, met dien verstande dat uitkeringen aan anderen wel toegestaan zijn indien deze een ideële of sociale strekking hebben.2, 3 Het functioneren van een stichting als familiestichting verdraagt zich op het eerste gezicht slecht met het uitkeringsverbod, omdat dit in de weg staat aan uitkeringen aan familieleden die de stichting hebben opgericht of zitting hebben in het bestuur of een eventueel ander orgaan van de stichting. Bovendien zouden ook uitkeringen aan andere, minder nauw bij de stichting betrokken,4 familieleden slechts mogelijk zijn indien deze een ideële of sociale strekking hebben en veelal zal de beoogde reikwijdte van uitkeringen door een familiestichting verder gaan dan uitkeringen van dergelijke aard.
Het uitkeringsverbod staat er echter niet aan in de weg dat de stichting overeenkomsten sluit en de daaruit voortvloeiende verplichtingen nakomt. Op deze gedachte is ook certificering gebaseerd: een uitkering die een STAK doet aan een certificaathouder is geen (onverplichte5) uitkering in de zin van het uitkeringsverbod, maar het doen van een door de STAK verplichte betaling, uit hoofde van de met de certificaathouder gesloten beheersovereenkomst.6 Genuanceerder is Van Veen, die meent dat ook bij de nakoming van een contractuele verplichting sprake kan zijn van de overtreding van het uitkeringsverbod, tenzij tegenover de prestatie van de stichting een gelijkwaardige tegenprestatie staat, aangezien in het laatste geval geen sprake is van een.7 Desalniettemin is hij van mening dat het met oog op de strekking van het uitkeringsverbod (kort gezegd het gebruik van een stichting in plaats van bijvoorbeeld een NV voor het ontplooien van commerciële activiteiten) niet de bedoeling is om de STAK onder de werking van dit verbod te brengen. In het verlengde daarvan ziet hij evenmin aanknopingspunten om (niet-ideële) uitkeringen door een familiestichting niet toe te staan (daarbij aannemend dat ook de familiestichting slechts vermogen beheert en geen commerciële activiteiten ontplooit). Een dergelijke familiestichting staat zijns inziens wel op gespannen voet met de tekst van artikel 2:285 lid 3 BW.8
Het lijkt mij bovendien de vraag in hoeverre bij een verplichting tot het doen van uitkeringen door een familiestichting (of een STAK) gezegd kan worden dat hier geen gelijkwaardige tegenprestatie tegenover staat. Op het moment van het doen van de uitkering ontvangt de stichting weliswaar geen tegenprestatie, maar zij heeft die reeds in het verleden gehad: de overdracht van het te beheren vermogen staat tegenover twee prestaties door de stichting: (i) beheer van het vermogen en (ii) uitkering op termijn van dit vermogen en eventuele (netto)revenuen. Aangezien de stichting gedurende haar bestaan in principe het gehele ingebrachte vermogen en (netto)rendement uitkeert, zodat per saldo geen vermogen in de stichting resteert, kan men zeggen dat de prestatie van de inbrenger en die van de stichting een gelijke waarde vertegenwoordigen (de inspanningen van de stichting worden daarbij beloond in de vorm van vergoeding van haar kosten, waaronder in voorkomend geval een vergoeding voor haar bestuur en eventuele anderen die voor de stichting werkzaam zijn).9
Op vergelijkbare wijze als bij certificering kan tussen de insteller van een familiestichting en de stichting een overeenkomst gesloten worden, die de stichting verplicht om onder bepaalde omstandigheden uitkeringen te doen aan bepaalde familieleden: de insteller draagt vermogen over aan de stichting onder de verplichting tot het doen van de uitkeringen.10, 11 Daarbij kan de verplichting tot het doen van uitkeringen zodanig nauwkeurig bepaald zijn dat reeds vastligt (of bepaalbaar is) welke persoon op welk moment welke uitkering krijgt en de desbetreffende begunstigden reeds een concrete aanspraak hebben (vergelijkbaar met een fixed trust12), maar ook kan aan het bestuur van de stichting in meer of mindere mate een discretionaire bevoegdheid tot het doen van uitkeringen gegeven worden (zodat de familiestichting vergelijkbaar is met een discretionary trust).
Gezien de ongunstige fiscale behandeling van familiestichtingen en vergelijkbare rechtsfiguren tot 2010 werd het gebruik van de Nederlandse stichting als familiestichting tot dat moment echter (sterk) ontmoedigd.13 Met de invoering van de APV-regeling per 1 januari 2010 staan de fiscale aspecten evenwel minder aan het gebruik van een Nederlandse stichting als familiestichting in de weg.14 Als gevolg daarvan komt het gebruik van de Nederlandse stichting als (APV-achtige) beschermingsfiguur in beeld.