De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.4.4.2:4.4.4.2 Bevorderlijk voor de goede toepassing van de WOR
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.4.4.2
4.4.4.2 Bevorderlijk voor de goede toepassing van de WOR
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392016:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk was de instelling van een cor of gor niet verplicht. Zie Kamerstukken II,1969-1970, 10335, nr. 3, p. 25.
Zie bijvoorbeeld: Kantonrechter Rotterdam 30 maar 2011, JAR 2011/233, RO 2011/68 (Hefgroep).
Zie: Kantonrechter Arnhem 22 september 2011, ROR 2011/24, JIN 2011/820 (Helianthos).
Kantonrechter Rotterdam 30 maar 2011, JAR 2011/233, RO 2011/68 (Hefgroep).
S.M. Bartman, A.F.M. Dorresteijn, Van het concern, Deventer: Kluwer 2013, p. 177.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor alle concernmedezeggenschapsorganen geldt dat de ondernemer of groep van ondernemers verplicht is deze in te stellen indien dit bevorderlijk is voor de goede toepassing van de wet.1 Uit de jurisprudentie volgen twee belangrijke lijnen: (i) de uitoefening van medezeggenschap dient daar plaats te vinden waar in overwegende mate zeggenschap over de onderneming(en) bestaat en zij dus het meest doelmatig is (medezeggenschap volgt zeggenschap) en (ii) de medezeggenschap moet zo dicht mogelijk bij het werkmilieu van de betrokken werknemers worden uitgeoefend.2 De medezeggenschapsstructuur moet zodanig worden ingericht dat de medezeggenschap wordt gewaarborgd.3
De inrichting van de medezeggenschapsstructuur is een onderwerp dat in de praktijk veelvuldig tot vragen leidt, maar nog weinig in jurisprudentie aan de orde is geweest. In 2011 is een geschil tussen de Hefgroep en haar cor aan de Kantonrechter Rotterdam voorgelegd. In deze zaak wilde de ondernemer, vooruitlopend op een reorganisatie, een gemeenschappelijke or instellen. De cor wilde echter vasthouden aan de bestaande gedecentraliseerde structuur met afzonderlijke ondernemingsraden en een cor. De kantonrechter concludeerde dat voor een aanpassing van de medezeggenschapsstructuur nog geen aanleiding bestaat, omdat onder meer nog geen gemeenschappelijk personeelsbeleid wordt gevoerd en de onderdelen nog voldoende autonoom van elkaar opereren. De praktische bezwaren die de ondernemer opwierp, zoals hoge kosten van het instandhouden van de afzonderlijke ondernemingsraden, konden de ondernemer ook niet baten.4
Deze uitspraak illustreert dat de ondernemer pas kan overgaan tot een wijziging van de medezeggenschapsstructuur, nadat de zeggenschapstructuur is gewijzigd. Hiermee doet de kantonrechter recht aan het aan de WOR ten grondslag liggende algemene beginsel van ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’. Een andere benadering zou er immers toe leiden dat de ondernemingsraden geen invloed kunnen uitoefenen op de wijzigingen in de organisatie die zullen worden doorgevoerd. Indien een cor of gor wordt ingesteld, wordt binnen het concern een ondernemer aangewezen die jegens dit medezeggenschapsorgaan als ondernemer zal optreden, bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van de moedervennootschap.5 Hierbij is het niet van belang dat deze ondernemer geen onderneming in de zin van de WOR in stand houdt.