Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VIII.3.2
VIII.3.2 Duitsland: begrensde besluitenarbitrabiliteit
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178941:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
BGH 6 april 2009, NJW 2009, 1962 (Schiedsfähigkeit II), rov. 13. De lagere rechtspraak hield besluitenarbitrage overwegend voor onmogelijk gezien – naast het erga omnes-principe – de exclusieve bevoegdheid van de rechter van de zetel van de rechtspersoon tot vernietiging (§ 246 III AktG; vgl. 2:15 lid 3 BW), het gebrek aan processuele waarborgen binnen de arbitrageprocedure en wat procesrechtelijke dogmatiek. Al deze bezwaren verwierp het Bundesgerichtshof reeds in Schiedsfähigkeit I, zodat slechts de erga omnes resteerde. Zie Filker 2013, p. 47-60, Westermann 2017, p. 42-44 en Schmidt 2018, p. 123-124. De Jongh 2017, p. 311, wijst er terecht op dat het Bundesgerichtshof omging nadat de wetgever had verklaard de vraag naar besluitenarbitrage aan de rechter te laten.
Zie hierover kritisch Müller 2010, p. 731, Nolting 2011, p. 1017, Filker 2013, p. 124-125 en Niemeyer & Häger 2014, p. 1742.
Lutter/Hommelhoff/Bayer 2016, GmbHG Anh. § 47, Rn. 106. Anders: Michalski/Römermann 2017, GmbHG Anh. § 47 Rn. 558, die – lees ik het goed – de werking overeenkomstig de tekst van § 248 I AktG tot aandeelhouders en leden van organen beperkt. Naar algemene opvatting valt zo’n beperking in § 248 I AktG echter niet te lezen; zie MüKoAktG/Hüffer/Schäfer 2016, AktG § 248 Rn. 13.
Waar het Bundesgerichtshof in Schiedsfähigkeit I nog niets wilde weten van besluitenarbitrabiliteit,1 gaat het in Schiedsfähigkeit II om.2 De hoogste Duitse rechter springt uitdrukkelijk over het erga omnes-principe heen, terwijl dit principe eerder nog als een onoverkomelijke hindernis gold.3 In Schiedsfähigkeit II onderstreept het hof de vrijheid van partijen om tussen hen rijzende geschillen aan arbitrage te onderwerpen. De toegang tot de overheidsrechter is een recht, geen plicht. Voor non-arbitrabiliteit is dan ook geen reden, op voorwaarde dat de arbitrageprocedure materieel gelijkstaat aan en dezelfde procedurele waarborgen kent als de procedure voor de overheidsrechter.4
Wanneer voldoet de arbitrageprocedure aan de voorwaarden? En waar liggen de grenzen van besluitenarbitrabiliteit? Elk arbitragebeding moet, aldus het Bundesgerichtshof, voldoen aan zekere Gleichwertigkeitskautelen (‘gelijkwaardigheidseisen’). Is dat niet het geval, dan is het beding nietig (§ 138 I BGB).5 De overheidsrechter kan de geldigheid van het arbitragebeding zowel voorafgaand aan als na afloop van een arbitrage toetsen. De toets die de overheidsrechter aanlegt, vindt in abstracto plaats. De rechter mag niet beoordelen of de arbitrage in het concrete geval aan de eisen voldoet.6 Het formuleren van een arbitragebeding verdient dus alle aandacht, zeker nu de rechter volgens het Bundesgerichtshof eventuele leemten of ongerijmdheden in een arbitragebeding niet mag ‘weginterpreteren’.7 Blijkt achteraf dat het beding niet door de beugel kan, dan is een arbitraal vonnis krachteloos. Partijen moeten alsnog de (kostbare en tijdrovende) gang naar de overheidsrechter maken, al is de arbitrageprocedure in concreto naar de regelen der kunst verlopen.8
Opvallend genoeg spelen de rechtsgevolgen van arbitrage voor derden geen rol in de Duitse discussie. Anders dan de Hoge Raad zwijgt het Bundesgerichtshof op dit punt, hoewel het arbitraal vonnis in Duitsland werkt jegens derden indien het op een geldige arbitrageclausule berust.9 Het is moeilijk te zeggen hoe dit verschil zich laat verklaren. In ieder geval maken eventuele rechtsgevolgen de weg naar besluitenarbitrage ook in Nederland geenszins onbegaanbaar (zie eerder § 2.2).