Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.3.3.7
10.5.3.3.7 Bijkomende omstandigheden
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376990:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem), r.o. 4.3.
OK 9 juli 1998, JOR 1998/122 m.nt. Janssen (Vie d’Or), r.o. 5.2.
HR 5 september 1990, NJ 1991/62 m.nt. Maeijer (Nedlloyd), r.o. 4.6.
OK 9 juli 1998, JOR 1998/122 m.nt. Janssen (Vie d’Or), r.o. 5.2.
HR 15 januari 1997, NJ 1997/368 m.nt. Maeijer (Vie d’Or), r.o. 4.5.1.
HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem), r.o. 4.1. Zie ook conclusie A-G Timmerman sub. 4.15 bij HR 18 november 2005, NJ 2006/173 (Unilever), waarin de A-G uitgaat van drie doelstellingen van de enquêteprocedure zoals geformuleerd in de Ogem- beschikking.
Conclusie A-G Mok sub 3.4 voor HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem).
Schmieman (2004), p. 376.
Conclusie A-G Mok sub 3.4 voor HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 m.nt. Maeijer (Ogem).
Zo ook: Schmieman (2004), p. 376.
HR 20 november 1996, NJ 1997/188, m.nt. Maeijer (Louder Holdings), r.o. 3.4.
Bij de beantwoording van de vraag of een openbaar belang aanwezig is, komt aan het belang van de rechtsvorming mede betekenis toe. In de Ogem-beschikking overweegt de Hoge Raad dat de OK bij haar oordeel of sprake was van redenen van openbaar belang eveneens betekenis mocht toekennen aan het belang van de rechtsvorming en de mogelijke voorbeeldfunctie van haar uitspraak.1 De OK zit ook op deze lijn. In de wanbeleidbeschikking inzake Vie d’Or oordeelt zij dat met het oog op het vertrouwen dat gesteld wordt in het verzekeringsbedrijf, een door haar te geven beschikking op het enquêteverzoek van de A-G mede van belang kan zijn voor de rechtsvorming.2 In het Nedlloyd-arrest inzake de jaarrekeningprocedure neemt de Hoge Raad eenzelfde standpunt in. Hij overweegt dat mede gewicht kan toekomen aan de omstandigheid dat er ten aanzien van de betrokken bepalingen in het jaarrekeningenrecht rechtsonzekerheid bestaat en de praktijk behoefte heeft aan een rechterlijke uitspraak die als richtsnoer kan dienen. Daarbij benadrukt ons hoogste rechtscollege dat de aanwezigheid van het enkele belang van de rechtsvorming niet zonder meer betekent dat aan het vereiste openbaar belang ex art. 999 lid 2 (oud) Rv is voldaan.3 Dit laatste geldt mijns inziens ook voor de aanwezigheid van een openbaar belang in het enquêterecht. In Ogem en Vie d’Or noemen de Hoge Raad en de OK het belang van de rechtsvorming immers ook steeds in samenhang met andere belangen. Het enkele belang van de rechtsvorming als zodanig kan daarom volgens mij niet tot de kwalificatie openbaar belang leiden.
Van een optreden van de A-G om redenen van openbaar belang kan voorts mede een preventieve werking uitgaan. Dit blijkt eveneens uit de Vie d’Or-beschikking. In deze zaak overweegt de OK dat van haar uitspraak een preventieve werking kan uitgaan. Vervolgens oordeelt zij dat er ‘reeds op die grond’ redenen van openbaar belang aanwezig kunnen zijn die de conclusie rechtvaardigen dat de A-G in zijn verzoek kan worden ontvangen.4 Hoewel de Hoge Raad zich over het begrip openbaar belang in Vie d’Or niet uitlaat, overweegt hij wel dat van de mogelijkheid van een optreden van de A-G in het enquêterecht inderdaad een preventieve werking kan uitgaan.5 In de Ogem-beschikking wijst de Hoge Raad ook op die preventieve werking. Uit de door hem gekozen bewoordingen volgt echter dat hij preventie niet rangschikt onder de zelfstandige doeleinden van de enquêteprocedure.6 Uit de conclusie van A-G Mok voor Ogem blijkt dat men preventie moet zien als een verder weg gelegen doel: vooral de opening van zaken kan een preventief effect hebben. Mok maakt daarbij een onderscheid tussen een generale en speciale preventieve werking.7 Onder een generale preventie valt de mogelijkheid dat een bepaald beleid in de toekomst achterwege blijft, wanneer dit eenmaal als wanbeleid is aangemerkt. Zo zal voor verzekeringsmaatschappijen duidelijk zijn dat zij zich niet kunnen bedienen van de wijze van ondernemen van Vie d’Or. Bij speciale preventie moet men denken aan de mogelijkheid dat de betrokken rechtspersoon het onjuiste beleid niet voortzet.8 In een geval als Ogem, waarin de betrokken vennootschap is ontbonden, zal van een speciale preventie dus geen sprake kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor een vennootschap die surséance van betaling heeft verkregen of in staat van faillissement verkeert.9 De ontbinding, surséance of het faillissement doet niet af aan het generaal-preventieve effect. Bovendien kan een optreden van de A-G in dergelijke gevallen wel speciaal-preventieve effecten hebben op de betrokken natuurlijke personen, in die zin dat zij in hun nieuwe functies in het bedrijfsleven niet dezelfde beleidsfouten maken.10
Anders dan de OK in Vie d’Or lijkt te suggereren, ben ik van mening dat preventie geen zelfstandige grond oplevert voor het indienen van een enquête om redenen van openbaar belang. Preventie is geen (zelfstandig) doeleinde van de enquêteprocedure.
Dat enige preventieve werking een gevolg kan zijn van het indienen van een enquêteverzoek, behoeft geen grond te zijn voor het al dan niet toewijzen van dat verzoek.11 Voor een optreden van de A-G in het enquêterecht is vereist dat boven de particuliere belangen (meer) uitstijgende, algemene en zwaarwegende belangen in het geding zijn.