Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/9.3.3.2
9.3.3.2 Het aannemen van een vermoeden op basis van een vastgestelde normschending; het World Online-arrest
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655708:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze constructie reeds De Jong 2010, p. 269-273.
De constructie waarbij op basis van het feit dat de vennootschap een misleidend prospectus heeft gepubliceerd (gevolgd door een verliesgevende transactie van de eisende belegger) voorshands wordt aangenomen dat sprake is van causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de in concreto eisende belegger, lijkt ook al te zijn toegepast door het Hof Amsterdam in het oude Nederlandse Agrarische Industrie-arrest (Hof Amsterdam 24 juni 1953, NJ 1954/573 (Polak/N.V. Nederlandse Agrarische Industrie e.a.), zie over dit arrest ook Franx 2017, p. 229-230). Wel moet ik hierbij aantekenen dat niet helemaal duidelijk is of in deze zaak het bewijs van causaal verband (voorshands) geleverd wordt geacht op grond van indirect bewijs (er wordt met andere woorden gewerkt met een (feitelijk) vermoeden van causaal verband), dan wel dat het (voorshands) geleverd wordt geacht op grond van direct bewijs. Zie voor een duidelijk voorbeeld van de laatstgenoemde constructie uit de rechtspraak over beleggingsschade Hof Arnhem-Leeuwarden 20 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2015:7904, JOR 2016/64, m.nt. F.P.C. Strijbos, r.o. 4.23.
Zie § 5.4.4.4.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.10.4 slot.
Idem.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1-4.11.2.
Zie over dit onderdeel van het World Online-arrest ook Busch 2018, p. 496-499; Franx 2017, p. 231-235; Franx 2015, p. 98-99 en p. 109-110; De Bie Leuveling Tjeenk 2014, p. 318-319; Giesen & Maes 2014, p. 228; Klaassen 2013, p. 146-151; Klaassen 2012a, p. 11-15; Akkermans & Van Dijk 2012, § 4; Rutten 2012, p. 248; De Jong 2011a, p. 364-366; Giesen 2010, p. 127-128. Eerder schreef ik hierover reeds met Van Boom, zie Pijls & Van Boom 2010, p. 194-200.
Anders Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 2.7. Giesen twijfelt of de door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie wel kan worden aangemerkt als een vermoeden, zie Giesen 2010, p. 127-128. In een bijdrage uit 2014 van Giesen in samenwerking met Maes, lijkt echter ook Giesen aan te nemen dat het hier om een vermoeden gaat, zie Giesen & Maes 2014, p. 228.
Deze passage is gedeeltelijk ontleend aan Pijls & Van Boom 2010, p. 196.
Aldus ook Rb. Limburg 9 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4295 (X/Staatsloterij B.V.), r.o. 4.5.3.
In de literatuur heeft onder meer Asser erop gewezen dat algemeen jurisprudentiële vermoedens op de verdeling van het bewijsrisico een uitwerking hebben die in de praktijk niet of nauwelijks verschilt van het effect van omkering van het bewijsrisico. Zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 266, Asser 2004, nr. 46 en Asser in zijn NJ-noot (sub 13-14) onder HR 29 november 2002, NJ 2004/305 (Kastelijn/Gemeente Achtkarspelen). Zie in dit verband ook Boonekamp, Stelplicht en Bewijslast, 4.3.2 (Tegendeelbewijs).
Dan ontstaat het zogenoemde ‘non liquet’.
Aldus ook Klaassen 2012a, p. 12; Klaassen 2013, p. 147. Het vermoeden werd mijns inziens dan ook terecht toegepast in de zaak Rb. Noord-Nederland 13 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4769 (X e.a./Bouwhuis en Wiegel), r.o. 8.4.
Vgl. Klaassen 2012a, p. 13; Klaassen 2013, p. 147.
Aldus HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.25.3. Zie hierover ook Franx 2017, p. 239-240; Hijink 2010, p. 352-353; Grundmann-Van de Krol 2009, p. 166-172; Scheltema & Scheltema 2009, p. 88-90; Eisma 2007, p. 34; Vandendriessche 2011, nr. 4 en nr. 68; Van Dyck 2009, nr. 70-76 (met uitgebreide verwijzingen).
Vgl. Asser 2010, p. 87, alwaar hij wijst op het normatieve karakter van de in de effectenlease-arresten door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie. Voor een aansprekend voorbeeld van de toepassing van een feitelijk vermoeden met een sterk normatief karakter uit de rechtspraak van het KiFiD, wijs ik op de uitspraak Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2017-033A d.d. 25 oktober 2017. In deze uitspraak hanteerde de Commissie van Beroep een vermoeden van causaal verband (in de zin van het csqn-verband) in de situatie waarin de bank haar bijzondere zorgplicht had geschonden ten opzichte van een belegger met wie zij geen contractuele relatie had. Het betrof hier dus een zogenoemd ‘Safe Haven’-geval. Zie r.o. 4.3 over het (bewijs van het) causaal verband: ‘(…) Weliswaar is niet uit te sluiten dat PDT had getracht via een andere wijze de gelden op vergelijkbare wijze te beleggen. Echter, zij had (…) daarbij een andere intermediair nodig gehad met toegang tot de beurs. Ook voor die instelling had de wettelijke verplichting gegolden dat zij niet zonder nader onderzoek (…) haar diensten had mogen verlenen. Uitgangspunt moet daarbij zijn dat als een dergelijke andere instelling was aangezocht, deze instelling aan die verplichting had voldaan. Een andere uitleg zou een effectieve werking van het vergunningenstelsel waarbij de (particuliere) belegger beschermd wordt tegen financiële instellingen die zonder vergunning hun diensten aanbieden, op ontoelaatbare wijze doorkruisen (…).’ (curs. ACWP). Zie voor een ander voorbeeld uit de KiFiD-rechtspraak de uitspraak Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2012-22 d.d. 19 november 2012, r.o. 4.3.2.
HR 5 juni 2009, NJ 2012/182-184, m.nt. J.B.M. Vranken onder NJ 2012/184; JOR 2009/199-200, m.nt. C.W.M. Lieverse; JA 2009/116-118, m.nt. W.H. van Boom onder JA 2009/118.
Deze passage is gedeeltelijk ontleend aan Pijls & Van Boom 2010, p. 196-197.
Zie over de betekenis van het Europeesrechtelijke effectiviteitsbeginsel bij de doorwerking van EU-recht in het nationale privaatrecht uitgebreid Asser/Hartkamp 2019 (3-I), nr. 109-130. Zie in dit verband ook Tjong Tjin Tai 2011, p. 790-797. En zie specifiek over de betekenis van het effectiviteitsbeginsel in het kader van de (handhaving van de) Prospectusverordening Busch 2019 en in het kader van de (handhaving van de) verordening Marktmisbruik (Verordening (EU) Nr. 596/2014 (PbEU 2014, L 173/1)) Busch 2018.
Richtlijn 2003/71/EG (PbEU 2003, L 345/64).
Verordening (EU) 2017/1129 (PbEU 2017, L 168/12).
Een andere belangrijke toepassing van het Europeesrechtelijke effectiviteitsbeginsel met vergaande rechtsgevolgen voor de nationale rechtsorde is zoals bekend de verplichting voor de nationale rechter om nationale bepalingen die de implementatie vormen van consumentenbeschermende Unierichtlijnen en eventueel de sanctie(s) die van toepassing (is) bij schending van deze bepalingen, ambtshalve toe te passen. Zie in dit verband bijvoorbeeld het arrest HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236, NJ 2017/282, m.nt. J. Hijma (Lindorf B.V./X), r.o. 3.8.1-3.9.
Zie § 5.4.5 en § 6.2.4.2 sub c.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.2.
Voor een voorbeeld uit de rechtspraak waarin het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde uitgangspunt in beginsel wordt toegepast, maar waarin de rechter naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten tot de conclusie komt dat dit uitgangspunt in het concrete geval niet opgaat, wijs ik op het arrest Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9516 (X/ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 4. Dit arrest ging overigens niet over prospectusaansprakelijkheid. Het ging in dit arrest om een particuliere optiebelegger die zijn bank aansprakelijk had gesteld wegens het schenden van de bijzondere zorgplicht. Kennelijk was het hof van mening dat het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde uitgangspunt ook in een dergelijk geval kan worden toegepast. Voor een ander voorbeeld uit de rechtspraak waarin het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt bij wijze van veronderstelling wordt toegepast, en waarin de rechter vervolgens tot de conclusie komt dat de aangesproken partij het vermoeden heeft weerlegd, wijs ik op het vonnis Rb. Limburg 9 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4295 (X/Staatsloterij B.V.), r.o. 4.5.4. Interessant is dat de rechtbank ten aanzien van dit uitgangspunt refereert aan ‘de omkeringsregel’. Ook deze zaak ging niet over prospectusaansprakelijkheid. In deze zaak stelde een individuele deelnemer aan de Nederlandse Staatsloterij de vennootschap Staatsloterij B.V. aansprakelijk voor door hem beweerdelijk geleden schade, omdat de Staatsloterij in de periode 2000 tot 2008 misleidende mededelingen had gedaan over – in de kern – de winkansen van een bepaalde categorie hoge(re) prijzen.
Zie hierover reeds De Jong 2010, p. 271-272 en De Jong 2011a, p. 365-366. Zie in dit verband ook Hijink 2011, p. 102-104; Rutten 2012, p. 245 en p. 248; Hoff 2013a, p. 764-765; Klaassen 2013, p. 149-151; Busch 2018, p. 496-499.
Zie voor een (analoge) toepassing in de lagere rechtspraak van het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde uitgangspunt onder meer Rb. Zeeland-West-Brabant 1 mei 2013, JA 2013/125 (X en Y/Solplaya BV e.a.), r.o. 3.10; Rb. Amsterdam 7 maart 2012, JOR 2012/216 (X/ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 4.22; Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2010-390 d.d. 14 oktober 2010, JOR 2010/348, m.nt. C.W.M. Lieverse, r.o. 4.3.3; Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9516 (X/ABN AMRO Bank N.V.), r. o. 4; Hof ’s-Hertogenbosch 15 april 2014, JOR 2014/168, m.nt. B.T.M. van der Wiel en I.J.F. Wijnberg (Holding Westkant B.V./ABN AMRO Bank N.V.), r.o. 4.11.15; Hof ’s-Hertogenbosch 14 september 2010, JOR 2010/310, r.o. 4.13.1. Ik wijs erop dat het laatstgenoemde arrest – en daarmee ook de overweging over het (bewijs van het) causaal verband – in cassatie stand hield, zie HR 8 februari 2013, NJ 2014/495, m.nt. J. Hijma onder NJ 2014/497; JOR 2013/108, m.nt. B.T.M. van der Wiel onder JOR 2013/106 (F. van Lanschot Bankiers N.V./Grove e.a.), r.o. 3.7.1-3.7.2. De Hoge Raad herformuleert de overweging over het causaal verband echter zodanig (zie r.o. 3.7.2), dat onduidelijk is of hij zich erin kan vinden dat het hof bij zijn oordeel over het (bewijs van het) causaal verband tussen de zorgplichtschending van de bank en de beleggingsbeslissing van de belegger het door de Hoge Raad in het World Online-arrest geformuleerde ‘uitgangspunt’ toepaste in een zaak die geen betrekking had op prospectusaansprakelijkheid.
Zie in dit verband ook De Jong 2010, p. 271-272 en De Jong 2011a, p. 365-366; De Jong 2016a, p. 125; Hijink 2011, p. 102-104; Rutten 2012, p. 245 en p. 248; Hoff 2013a, p. 764-765.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1 jo. 4.10.1.
Vgl. De Jong 2010, p. 271-272 en De Jong 2011a, p. 365-366. Vgl. ook Rutten 2012, p. 245 en p. 248.
Richtlijn 2004/109/EG (PbEU 2004, L 390/38).
Zie met name de overwegingen 1, 5, 27 en 36 van de considerans van de Transparantierichtlijn.
Zie de overwegingen 1 en 5 van de considerans van de Transparantierichtlijn.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.11.1-4.11.2.
Wel wijs ik in dit verband op mijn kritiek op het oordeel van de Hoge Raad zoals uiteengezet in § 5.4.5. Deze kritiek komt er kort gezegd op neer dat ik het standpunt dat een lidstaat op grond van art. 6 lid 2 Prospectusrichtlijn (thans art. 11 lid 2 Prospectusverordening) verplicht zou zijn in de nationale rechtsorde een vermoeden van causaal verband aan te nemen, moeilijk te volgen vind.
Vgl. De Jong 2011a, p. 365-366; De Jong 2016a, p. 125; Hijink 2011, p. 103.
Ik wijs erop dat in art. 7 Transparantierichtlijn niet expliciet wordt gerefereerd aan civielrechtelijke aansprakelijkheid en dat slechts in algemene zin wordt gesproken van ‘wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake aansprakelijkheid’. Dat hieronder niettemin in ieder geval bepalingen inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid moeten worden verstaan, volgt uit het arrest HvJ EU 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:856, NJ 2014/184, m.nt. M.R. Mok (Alfred Hirmann/Immofinanz AG), r.o. 38 e.v.
In deze zin reeds De Jong 2010, p. 271-272; Rutten 2012, p. 248.
Zie overweging 17 van de considerans van de Transparantierichtlijn.
Zie ook reeds § 5.4.5.
Ik realiseer mij dat ik in dit standpunt tamelijk alleen sta. Zie anders De Jong 2010, p. 272 en De Jong 2011a, p. 366; De Serrière 2011, p. 183; Hoff 2013a, p. 764-765; Busch 2018, p. 496-499.
Verordening (EU) Nr. 596/2014 (PbEU 2014, L 173/1).
Zie art. 1 en overwegingen 2, 7, 8, 24, 55 en 57 van de considerans van de verordening Marktmisbruik. Zie over de doelstelling en strekking van de verordening Marktmisbruik in de literatuur onder meer Hoff 2016, p. 507-509; Kristen 2018, p. 38-41; Stevens 2018, p. 227-229.
Zie in dit verband ook Busch 2018, p. 498. Vgl. in dit verband Tountopoulos 2014, p. 303-304, Casper 2011, p. 93-94 en Davies 2010, p. 445, die er expliciet op wijzen dat de oude richtlijn Marktmisbruik (Richtlijn 2003/6/EG (PbEU 2003, L 96/16)) geen (met art. 11 lid 2 Prospectusverordening en art. 7 Transparantierichtlijn vergelijkbare) bepaling bevat over civielrechtelijke aansprakelijkheid.
Zie in dit verband ook de kritische opmerking van Du Perron in zijn NJ-noot (sub 3) onder HR 27 november 2009, NJ 2014/201 (VEB e.a./World Online e.a.): ‘(…) eigenlijk [valt] niet goed in te zien waarom beschermende normen van nationale oorsprong minder effectieve handhaving zouden verdienen’ (toevoeging ACWP).
Ik wijs erop dat naar nationaal recht het effectiviteitsbeginsel zoals we dat kennen uit het EU-recht als zodanig niet bestaat. Zie hierover Tjong Tjin Tai 2011, p. 790-797.
a. Inleiding
De meest voor de hand liggende manier om het vermoeden te construeren, is om op basis van de vaststelling dat de vennootschap misleidende informatie heeft verspreid (dan wel een misleidend beeld heeft gecreëerd door relevante informatie achter te houden) gevolgd door een verliesgevende transactie van de eisende belegger, behoudens tegenbewijs aan te nemen dat sprake is van causaal verband tussen de misleidende informatie en de beleggingsbeslissing van deze belegger. Uit de vaststelling dat de litigieuze informatie voor de maatman-belegger misleidend was (of anders gezegd: de vaststelling dat jegens de maatman-belegger (en daarmee jegens het beleggende publiek in abstracto) onrechtmatig is gehandeld), wordt met andere woorden afgeleid dat ook de individuele belegger in het concrete geval door de misleidende informatie op het verkeerde been is gezet en zijn beleggingsbeslissing hierdoor is beïnvloed.1 Dit is in essentie de constructie die de Hoge Raad toepaste in het World Online-arrest.2
b. Algemene beschouwing over het bewijs van het causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid in World Online
Zoals in hoofdstuk 5 al naar voren is gekomen, heeft de Hoge Raad in het World Online-arrest belangrijke overwegingen gewijd aan het bewijs van het causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid.3 De desbetreffende overwegingen worden vooraf gegaan door een algemene beschouwing omtrent het misleidingsbegrip. Voor het aanmerken van een bepaalde onjuiste en/of onvolledige mededeling als misleidend (en daarmee het gedrag van de openbaarmaker van de mededeling als onrechtmatig), is volgens de Hoge Raad niet vereist dat de belegger daadwerkelijk van de mededeling heeft kennisgenomen en hierdoor is beïnvloed.4 Hiervoor is slechts vereist dat de gestelde onjuistheid en/of onvolledigheid van voldoende materieel belang is om de maatman-belegger te kunnen misleiden. Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan is benadeeld, aldus de Hoge Raad.5 Over het causaal verband oordeelt hij vervolgens als volgt:6
‘(….) In beginsel draagt de belegger (…) de stelplicht en bewijslast ter zake van het [csqn]-verband. Dat bewijs is evenwel problematisch (…). De (…) bewijsproblemen ter zake van het [csqn]-verband brengen mee dat de door de (oude en nieuwe) prospectusrichtlijn beoogde bescherming van beleggers (…) in de praktijk illusoir kan worden. Daarbij verdient opmerking dat die richtlijn weliswaar de aansprakelijkheid van de uitgevende instelling voor misleidende mededelingen in het prospectus niet harmoniseert, maar dat de nieuwe prospectusrichtlijn aan de Lidstaten wel de verplichting oplegt ervoor zorg te dragen dat de nationale wettelijke bepalingen inzake [civielrechtelijke] aansprakelijkheid van toepassing zijn op degenen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus vermelde informatie (…). Dat brengt mee dat een effectieve rechtsbescherming geboden moet worden volgens de regels van het nationale recht.
(…) Met het oog op die effectieve rechtsbescherming en gelet op de met de prospectusvoorschriften beoogde bescherming van (potentiële) beleggers tegen misleidende mededelingen in het prospectus, zal tot uitgangspunt mogen dienen dat [csqn]-verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing aanwezig is. Dit betekent derhalve dat in beginsel aangenomen moet worden dat, indien geen sprake van misleiding zou zijn geweest, de belegger niet – of bij aankoop op de secundaire markt: niet dan wel niet op dezelfde voorwaarden – tot aankoop van de effecten zou zijn overgegaan. De rechter kan echter naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten (…) tot de conclusie komen dat voormeld uitgangspunt in het concrete geval niet opgaat.’ (curs. en toevoegingen ACWP)
De Hoge Raad komt de belegger dus in zijn zware bewijslast tegemoet, door op basis van de vaststelling dat het gepubliceerde prospectus (voor de maatman-belegger) misleidend is op voorhand als vaststaand aan te nemen dat causaal verband (in de zin van het csqn-verband) aanwezig is tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing van de individuele belegger.7 Hoewel de Hoge Raad het woord ‘omkering’ in alle opzichten vermijdt, en hij zelf spreekt in termen van ‘tot uitgangspunt dienen’ en ‘in beginsel aannemen’, is de constructie die hij hier hanteert in essentie mijns inziens niets anders dan (de toepassing van) een vermoeden.8 De belegger wordt immers bij voorbaat ontheven van de last om bewijsmateriaal naar voren te brengen voor de stelling dat zijn beleggingsbeslissing door de misleiding is beïnvloed.9 Het is daarentegen de openbaarmaker van het misleidende prospectus die als eerste aan zet is om aannemelijk te maken dat geen causaal verband bestaat tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing. In feite komt deze constructie dus neer op (het toepassen van) een omkering van de bewijsleveringslast.10 Men mag deze constructie uitdrukkelijk niet verwarren met die van omkering van het bewijsrisico. Daarvan lijkt hier geen sprake te zijn (al zal het daar in de praktijk wel vaak op uitdraaien).11 Weet de openbaarmaker ten aanzien van het op voorhand aangenomen causaal verband namelijk voldoende twijfel te zaaien, dan wordt de vordering van de belegger onverkort afgewezen, zo begrijp ik de redenering van de Hoge Raad.12 Niettemin impliceert de hier gehanteerde oplossing onmiskenbaar een verlichting van het op de belegger rustende bewijsrisico, aangezien de kans dat het zich aan zijn kant realiseert, aanzienlijk afneemt.
Een interessant aspect van het door de Hoge Raad geformuleerde vermoeden is dat zijn toepassing niet is beperkt tot één concrete zaak, maar dat het in beginsel steeds van toepassing is wanneer een uitgevende instelling (en/of een emissie begeleidende bank) een misleidend prospectus heeft gepubliceerd en daarmee jegens het beleggende publiek onrechtmatig heeft gehandeld.13 De Hoge Raad overweegt immers expliciet dat ‘in beginsel aangenomen moet worden’ (curs. ACWP) dat de belegger bij juiste en volledige informatie een andere beleggingsbeslissing zou hebben genomen. Het vermoeden draagt daarmee meer het karakter van een ‘regel’, en derhalve zou men het kunnen aanmerken als ‘jurisprudentieel vermoeden’.
Een ander interessant aspect van het door de Hoge Raad gehanteerde vermoeden is, dat het een sterk normatief karakter heeft. Louter op basis van algemene ervaringsregels en op basis van de feiten zoals die zich in de World Online-zaak aandienden, is het namelijk niet goed te verklaren.14 Zo is een feit van algemene bekendheid dat de gemiddelde belegger van het prospectus, gereglementeerde informatie15 of gepubliceerde voorwetenschap geen kennis neemt;16 zijn beleggingsbeslissing kan er dus ook niet door zijn beïnvloed. Daarnaast is voor de meeste beleggers zeer te betwijfelen of zij – in een tijd waarin men als een dief van eigen portemonnee werd beschouwd als men niet (actief) in internetfondsen belegde! – bij een in alle opzichten onberispelijk prospectus daadwerkelijk een andere beleggingsbeslissing zouden hebben genomen. De door de Hoge Raad gehanteerde bewijslastconstructie vormt daarmee een aansprekend voorbeeld van hoe de stelplicht en bewijslast in dienst kunnen worden gesteld van de handhaving van een bepaalde gedragsnorm in het concrete geval (in dit geval de verplichting om een juist en volledig prospectus te publiceren), en – in het verlengde daarvan – in dienst van (het waarborgen van) een effectieve rechtsbescherming ten behoeve van degene tot wiens bescherming de norm strekt (in dit geval de belegger die aandelen koopt op de publieke effectmarkt).17
Afgezien van het belang van het feit dat de Hoge Raad (na de effectenlease-arresten)18 wederom voor een jegens beleggers geschonden informatieverplichting een jurisprudentieel vermoeden introduceert, is het belang van deze beslissing vooral gelegen in de materieelrechtelijke grondslag van dit vermoeden.19 Deze grondslag betreft het Europeesrechtelijke effectiviteitsbeginsel (ook wel aangeduid als het ‘doeltreffendheidsbeginsel’), dat in dit geval van zich doet spreken in zijn gedaante van het beginsel van (het waarborgen van) effectieve rechtsbescherming.20 Voor zover ik weet, is dit de eerste keer dat de Hoge Raad door middel van een EU-conforme interpretatie van art. 150 Rv een vermoeden van causaal verband introduceert. De Hoge Raad wijst hierbij op de beschermende strekking van de oude Prospectusrichtlijn21 (inmiddels vervangen door de Prospectusverordening)22 en beroept zich specifiek op art. 6 lid 2 van de oude Prospectusrichtlijn (thans art. 11 lid 2 Prospectusverordening), waarin is bepaald dat de lidstaten er zorg voor dragen dat hun wettelijke bepalingen inzake civielrechtelijke aansprakelijkheid23 van toepassing zijn op degenen die verantwoordelijk zijn voor de in het prospectus verstrekte informatie.24 De redenering is dat de effectieve werking van het EU-recht (men zou ook kunnen zeggen: de ‘volle’ werking van het EU-recht) met zich brengt dat deze aansprakelijkheid in de nationale rechtsorde effectief (of doeltreffend) gerealiseerd moet kunnen worden.25 Zou te strikt aan de hoofdregel van art. 150 Rv worden vastgehouden, dan dreigt deze aansprakelijkheid illusoir te worden, aldus is de gedachte. In Deel IV heb ik uiteengezet waarom ik art. 11 lid 2 van de Prospectusverordening – uitgelegd in het licht van het Europeesrechtelijke effectiviteitsbeginsel – niet zo’n overtuigende grondslag vind voor het in de nationale rechtsorde aannemen van een vermoeden van causaal verband.26 Dat betoog zal ik hier niet herhalen.
c. Het vermoeden kan door de gedaagde worden weerlegd
Het door de rechter op voorhand als vaststaand aan te nemen causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing, kan door de gedaagde worden weerlegd. De Hoge Raad formuleert dit als volgt:27
‘(…) De rechter kan (…) naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten (waarbij zo nodig de juistheid van daarbij aangevoerde feiten door de meest gerede partij aannemelijk moet worden gemaakt), en mede in aanmerking genomen de aard van de desbetreffende misleidende mededeling(en) en de verder beschikbare informatie, tot de conclusie komen dat voormeld uitgangspunt in het concrete geval niet opgaat (…).’
Vervolgens noemt de Hoge Raad nog een tweetal (voorbeelden van) verweren waarmee de gedaagde het vermoeden van causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing kan (proberen te) ontzenuwen. Over de door de Hoge Raad genoemde verweren en mogelijke andere verweren kom ik in § 9.3.3.4 te spreken, dus ik ga er hier niet verder op in. Ik volsta hier met de opmerking dat ik de overweging dat ‘de rechter (…) naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten (…) tot de conclusie [kan] komen dat voormeld uitgangspunt in het concrete geval niet opgaat’ (toevoeging en curs. ACWP), ongelukkig vind geformuleerd.28 Gelet op het feit dat het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt het karakter draagt van een regel (‘in beginsel moet aangenomen worden dat (…)’ (curs. ACWP) ), heeft in het concrete geval in beginsel immers steeds te gelden dat causaal verband aanwezig is tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing. Ongeacht de over en weer aangevoerde argumenten geldt het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt in beginsel dus steeds onverkort. Iets anders is dat de rechter naar aanleiding van het door de gedaagde gevoerde verweer tot de conclusie kan komen dat het op voorhand als vaststaand aangenomen causaal verband moet worden geacht te zijn weerlegd. Dat doet er echter niet aan af dat (in het processuele debat) het uitgangspunt was dat de beleggings beslissing van de belegger door de misleidende informatie is beïnvloed. De door de Hoge Raad gebezigde formulering lijkt evenwel te suggereren dat het door hem geformuleerde uitgangspunt reeds bij voorbaat kan worden geacht buiten toepassing te zijn verklaard. Volgens mij is dat niet wat de Hoge Raad bedoelt. Het was daarom volgens mij zuiverder geweest, wanneer hij had overwogen dat ‘de rechter naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten tot de conclusie kan komen dat het op voorhand als vaststaand aangenomen causaal verband is weerlegd’, of iets van die strekking.
d. De reikwijdte van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt
Tot slot sta ik stil bij de reikwijdte van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt. Is dat alleen van toepassing bij prospectusaansprakelijkheid of is het ook van toepassing in andere misleidingsgevallen dan prospectusaansprakelijkheid?29 Bij het antwoord op deze vraag moet mijns inziens worden onderscheiden tussen enerzijds de situatie waarin de misleiding bestaat uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving (schending van een periodieke informatieverplichting), en anderzijds de situatie waarin de misleiding bestaat uit het niet (tijdig) publiceren van voorwetenschap en/of het verspreiden van misleidende ad hoc-berichten (schending van een incidentele informatieverplichting en/of het verbod tot informatiemanipulatie).30
In de eerstgenoemde situatie zal de Hoge Raad denk ik een vergelijkbare bewijslastconstructie toepassen. De redenering die de Hoge Raad in het World Online-arrest volgt om de bewijslast van de belegger bij prospectusaansprakelijkheid te verlichten, kan namelijk gemakkelijk worden getransponeerd naar de situatie waarin sprake is van aansprakelijkheid voor misleidende financiële verslaggeving.31 Zo wijst de Hoge Raad er in de eerste plaats op dat met de oude Prospectusrichtlijn (inmiddels vervangen door de Prospectusverordening) is beoogd de positie van (potentiële) beleggers te beschermen.32 Door deze bescherming hebben de beleggers een groter vertrouwen in de effectenmarkt en wordt de goede werking van de markt verzekerd, en dat brengt volgens de Hoge Raad met zich dat aan de naleving van de richtlijn strenge eisen mogen worden gesteld. Bij aansprakelijkheid voor het publiceren van misleidende financiële verslaggeving (schending van een periodieke informatieverplichting) kan een vergelijkbare redenering worden gevolgd.33 Ook voor de (uit de Transparantierichtlijn34 afkomstige) periodieke informatieverplichtingen geldt namelijk dat zij ertoe strekken beleggers te beschermen.35 Door deze bescherming krijgen beleggers een groter vertrouwen in de effectenmarkt en dit komt de marktefficiëntie ten goede, aldus is te lezen in de considerans van de Transparantierichtlijn.36
Ter rechtvaardiging van de bewijslastverlichting bij prospectusaansprakelijkheid beroept de Hoge Raad zich daarnaast op art. 6 lid 2 van de oude Prospectusrichtlijn (thans art. 11 lid 2 Prospectusverordening; zie over deze bepaling reeds hiervóór sub b). Deze bepaling brengt volgens de Hoge Raad met zich – en dit is volgens mij de cruciale schakel in zijn redenering – dat een effectieve rechtsbescherming moet worden geboden volgens de regels van het nationale recht.37,38 Bij aansprakelijkheid voor misleidende financiële verslaggeving kan wederom een vergelijkbare redenering worden gevolgd.39 De Transparantierichtlijn kent met art. 7 namelijk een nagenoeg gelijkluidend voorschrift over civielrechtelijke aansprakelijkheid als in art. 11 lid 2 Prospectusverordening is neergelegd, dus ook voor de voorschriften van de Transparantierichtlijn is verdedigbaar dat een effectieve rechtsbescherming moet worden geboden volgens de regels van het nationale recht.40 Daar komt bij dat de belegger bij misleidende financiële verslaggeving met vergelijkbare bewijsproblemen wordt geconfronteerd als bij een misleidend prospectus. Wanneer dus bij prospectusaansprakelijkheid een verlichting van de bewijslast noodzakelijk is voor het waarborgen van effectieve rechtsbescherming, kan worden betoogd dat dit ook noodzakelijk is bij aansprakelijkheid voor misleidende financiële verslaggeving.41 Wel wijs ik in dit verband nog op een interessant verschil tussen de Transparantierichtlijn en de Prospectusverordening. Waar in de considerans van de Transparantierichtlijn is vastgelegd dat ‘[de] lidstaten (…) de vrijheid [moeten] hebben de omvang van de aansprakelijkheid zelf vast te stellen’ (toevoeging ACWP), ontbreekt een dergelijke overweging in de considerans van de Prospectusverordening.42
Of in de situatie waarin de misleiding bestaat uit het niet (tijdig) publiceren van voorwetenschap en/of het verspreiden van misleidende ad hoc-berichten (schending van een incidentele informatieverplichting en/of het verbod tot informatiemanipulatie) de Hoge Raad eveneens een vermoeden van causaal verband zal aannemen, waag ik echter te betwijfelen.43 De redenering die de Hoge Raad in het World Online-arrest volgt om de bewijslast van de belegger bij prospectusaansprakelijkheid te verlichten, gaat in de laatstgenoemde misleidingsgevallen namelijk niet vanzelfsprekend op.44 Dit hangt samen met het feit dat de verplichting tot het publiceren van voorwetenschap en het verbod tot informatiemanipulatie afkomstig zijn uit de verordening Marktmisbruik.45 Weliswaar geldt ook voor de verordening Marktmisbruik dat daarmee wordt beoogd beleggers te beschermen en daarmee het vertrouwen van beleggers in de effectenmarkten te versterken (om aldus de goede werking van die markten te bevorderen),46 maar deze verordening bevat geen enkele bepaling over civielrechtelijke aansprakelijkheid (vgl. art. 11 lid 2 Prospectusverordening en art. 7 Transparantierichtlijn).47 Wanneer men dus bij aansprakelijkheid voor het niet (tijdig) publiceren van voorwetenschap en/of het verspreiden van misleidende ad hoc-berichten voor het (bewijs van het) causaal verband een vergelijkbare redenering zou willen volgen als in het World Online-arrest, ontbreekt een equivalent van art. 11 lid 2 Prospectusverordening als essentiële schakel. Daarom is het mijns inziens onzeker of in de laatstgenoemde gevallen het vermoeden dat de beleggingsbeslissing van de belegger door de misleidende informatie is beïnvloed, eveneens geldt.
Mij zou uiteraard nog kunnen worden tegengeworpen dat ook bij aansprakelijkheid voor het niet (tijdig) publiceren van voorwetenschap en/of het verspreiden van misleidende ad hoc-berichten de mogelijkheid bestaat een vermoeden van causaal verband aan te nemen en dit vermoeden dan niet te baseren op normatieve overwegingen van Europeesrechtelijke aard, maar louter op normatieve overwegingen van nationaal privaatrechtelijke aard48 (zoals effectieve rechtsbescherming van beleggers en de zorg voor de effectiviteit van de geschonden norm zoals die bestaat naar nationaal recht).49 Deze tegenwerping heb ik in Deel IV reeds proberen te ontkrachten. Ik verwijs naar mijn betoog in § 5.4.5.