Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/4.1.3
4.1.3 Doel en karakter
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS297654:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 december 1983, Pretto, serie A, vol 71, § 21; EHRM 8 december 1983, Azen, serie A, vol 72, 25; EHRM 22 februari 1984, Sutter, serie A, vol 74, § 26. Recentelijk is deze vaste rechtspraak herhaald in EHRM 15 november 2003, Ernst, 33400/96, § 65.
De Boer (1985), p. 835.
Vgl. VélufErgec (1990), nr. 501: 'Ainsi conue, la publicité n'est pas une fin en soi, mais un moyen en vue d'atteindre le but de l'article 6 § ler; le proces équitable.'
Internationaler Kommentar zur EMRIC(MiehslerNogler), aant. 331 op art. 6 EVRM.
Zie de korte opsomming van doelen der openbaarheid door Wesseling-van Gent (1987), p. 114, onder verwijzing naar tal van procesrechtelijke schrijvers.
Pagano (1992) werpt deze vraag op in zijn strafrechtelijk georiënteerde dissertatie, p. 32-33.
In gelijke zin A.C. 't Hart in zijn noot onder HR 1 februari 1983, NJ 1983, 336 en A-G Leijten in zijn conclusie vóór dit arrest.
Van de Pol (1986), p. 599.
Handelingen NJ V 1983, deel 2, p. 63 e.v.
Asser/Groen/Vranken (2003), p. 243.
Handelingen NJ V 1983, deel 2, p. 63 e.v.
Het is dan ook niet voor niets dat het artikel 'Rechtspraak dient openbaar te zijn' van oud-hoogleraar mediarecht Gerard Schuijt in het NRC Handelsblad van 13 april 2006 slechts ziet op de strafrechtspraak. Op het verschil tussen het burgerlijk en het strafproces doelt ook raadsheer Palm in zijn dissenting opinion bij EHRM 23 november 1990, Helmers, serie A, vol 212-a, p. 22: 'Firstly, I consider that the majority's reasoning ... does not sufficiently take into account that in principle there exists a marked difference between 'civil' cases and 'criminal' cases in respect of the importance to be attached to a party being given the opportunity to be heard in person. That is because, generally speaking, in 'civil' cases there is no need to assess a party's credibility and only seldom any other reason why the court should hear a party in person, while in 'criminal' cases this may be of great importance.'
Ik heb daarbij het oog op de dagvaardingsprocedure; in de verzoekschriftprocedure is er veel minder ruimte voor partijautonomie. Zie Stein/Rueb (2002), p. 223.
In gelijke zin Smit (1988), p. 174.
Het feit dat de openbaarheid in talrijke internationale regelingen en nationale rechtsstelsels (via (grond)wettelijke regelgeving en beginselen van procesrecht) dermate hoog in het vaandel geschreven staat, doet vermoeden dat de doeleinden die daarmee gediend worden van eminent belang zijn. Vergelijken wij de opvatting van het Europees Hof ter zake met de inzichten hier te lande omtrent de openbaarheid in het burgerlijke proces, dan valt een grote mate van overeenstemming op, doch niet een gehele overlapping.
Volgens het Europees Hof beoogt de openbaarheid zowel particuliere belangen als het collectief belang te dienen waar het overweegt:
'The public character of proceedings before the judicial bodies referred to in Article 6 § 1 protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny, it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society, within the meaning of the Convention.'1
De Boer2 trekt uit de overweging van het Hof de volgende conclusie:
'Men ziet dat het hier gaat om tweeërlei soort belangen: enerzijds de individuele belangen van de direct bij het proces betrokkenen (de "litigants") dat hen niet in geheime processen de das wordt omgedaan, anderzijds het algemeen belang dat het publiek geïnformeerd wordt - in het bijzonder via de pers en zodoende haar vertrouwen in zowel de hogere als lagere rechtspraak behoudt, verkrijgt of verliest. Dit laatste kan dan aanleiding tot verandering zijn. De publieke opinie fungeert als voortdurend aanwezige collectieve getuige: als waarborg tegen partijdigheid, willekeur en ander onbehoorlijk gedrag van rechters. De rechter die het oog van het publiek op zich gericht weet, past wel op.'
De vrije vertaling van De Boer is onvolledig. Zeker, de individuele en publieke controle op de rechtspraak (en het daaruit voortvloeiende vertrouwen daarin) acht het Hof van groot belang, maar het gaat er uiteindelijk om dat de toebedeling van rechtspraak inzichtelijk ('visible') geschiedt of, zo men wil: helder en duidelijk, opdat daarmee bijgedragen wordt aan het uiteindelijke doel van art. 6 EVRM, een eerlijk proces. Daarmee is aangegeven dat de openbaarheid geen doel op zich is, maar een middel tot verwerkelijking van een eerlijke procedure.3
Men kan zich afvragen welke van de twee belangen, het particuliere belang of het algemeen belang, het meest gediend is bij de openbaarheid, of beter, te wiens dienste de openbaarheid in de eerste plaats staat. Miehsler en Vogler4 menen dat de openbaarheid van art. 6 EVRM vooral ziet op de openbaarheid voor het publiek ('Volksöffentlichkeit') en eerst in tweede instantie (impliciet) op de openbaarheid in het belang van partijen ('Parteöiffentlichkeit'), waar zij stellen:
'Der EGMR (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, P.S.) hat die Volksöffentlichkeit als Grundprinzip jeder demokratischen Gesellschaft (i.S. der EMRK) sowie als Mittel zur Förderung des Vertrauens in die Rechtsprechung im allgemeinen und zur Sicherung eines fairen Verfahrens durch Elffentliche Kontrolle im besonderen bezeichnet. So wird verstndlich, dag die Parteöiffentlichkeit im Recht auf ein faires Verfahren ... enthalten ist.'
Met evenveel recht zou men kunnen stellen dat het accent net andersom ligt. De openbaarheid dient in de eerste plaats het belang van partijen; zij zijn de meest betrokkenen bij een openbaar verloop van hun zaak. Het Hof stelt hun belangen niet voor niets voorop, zo kan men beweren. Dat daarmee het algemeen belang eveneens gediend is en het vertrouwen in de rechtspraak mede daardoor gehandhaafd kan worden (als 'one of the means' van 'confidence in the courts') is dan zeker belangrijk, doch van subsidiaire aard.
Misschien moet de conclusie wel luiden dat de waarheid in het midden ligt: het belang van partijen c.q. het publieke belang zijn twee naast elkaar staande grootheden die in het concrete geval beurtelings de overhand hebben.
Over de doeleinden der openbaarheid heeft de Nederlandse civiele rechtspraak zich bij mijn weten niet uitgelaten. Slechts is in de voorliggende gevallen beoordeeld of aan het openbaarheidsbeginsel in voldoende mate recht werd gedaan. De Nederlandse doctrine daarentegen heeft zich wel over die doeleinden uitgesproken.
Het verbaast niet dat de doeleinden als door het Europees Hof geformuleerd, stroken met die verwoord in de Nederlandse (civielprocesrechtelijke) literatuur. Samengevat5 komen deze erop neer dat door de openbaarheid aan eenieder de mogelijkheid wordt gegeven de deugdelijkheid van de rechtspraak te beoordelen (hetgeen een waarborg inhoudt tegen partijdige en willekeurige beslissingen), dat de procesvoering van partijen gecontroleerd kan worden, dat het vertrouwen in de rechtspraak gehandhaafd wordt, en ten slotte dat door de openbaarheid inzicht wordt verschaft in de beweegredenen die hebben geleid tot het doen van een bepaalde uitspraak (met andere woorden de motivering van uitspraken).
Het valt op dat de 'Nederlandse' doeleinden een enigszins verdere strekking hebben dan de door het Europees Hof geformuleerde doelen. De controle van de procesvoering van partijen en de inzichtelijkheid in de motivering van uitspraken volgen niet rechtstreeks uit de aangehaalde jurisprudentie van het Hof, maar kunnen daarmee wel, of dan toch in ieder geval met het fair trial-beginsel, in overeenstemming worden gebracht. Eensgezind komt in de door het Europees Hof en de Nederlandse procesrechtelijke literatuur geformuleerde doelen echter - en dat is ook de essentie - naar voren het controledoel van de openbaarheid. Hierbij passen de volgende kanttekeningen:
Men kan zich de vraag stellen of de openbaarheid geschonden wordt indien de behandeling van de rechtszaak géén inzicht geeft in de feitelijke of juridische gang van zaken, of niet aan iedereen dat inzicht geeft.6 Het lijkt mij duidelijk dat in het civiele proces evenzeer opgeld doet als wat in het strafproces opgaat, namelijk dat van een zodanige schending geen sprake is indien het proces niet voor iedereen volledig te volgen, te begrijpen en te controleren is. Net zozeer als het een fictie is ervan uit te gaan dat eenieder geacht wordt de wet te kennen, is het irreëel te veronderstellen dat eenieder de juridische en feitelijke merites van een zaak kan doorgronden. Dat is een privilege dat doorgaans voorbehouden is aan juristen, die veelal nog eens 'thuis' moeten zijn in de materie. De essentie van de openbaarheid draait ergens anders om: het gaat er niet om dat eenieder daadwerkelijk inzicht in de (civiele) rechtspraak heeft, maar dat aan eenieder die dat zou wensen de mogelijkheid wordt geboden zich dat inzicht zoveel mogelijk te verschaffen.7 Zo beschouwd is het controledoel van de openbaarheid naar haar aard beperkt. De rechter doet er echter goed aan de controlemogelijkheden van partijen en publiek tot hun recht te laten komen. Hetgeen Van de Pol zegt met betrekking tot het strafproces is volledig op het civiele proces van toepassing: 'Van de rechter mag een actieve bijdrage worden verwacht aan de realisering van de ... grondslag en doelstellingen van de openbaarheid. Het behoort tot zijn taak om de "openingszetten" te doen, die tot een operationalisering van de openbaarheid kunnen leiden.'8 De openbaarheidseis is zo tevens een inspanningsverplichting voor de rechterlijke macht. Die verplichting kan erin bestaan partijen en het publiek actief te informeren omtrent de processuele gang van zaken.
Zoals uit de rechtspraak van het Europees Hof duidelijk naar voren komt, hangt het controledoel van de openbaarheid ten nauwste samen met het vertrouwensdoel: door openbaarheid wordt het vertrouwen van het publiek in de rechtspraak gehandhaafd. Men zou kunnen zeggen dat de handhaving van het vertrouwen in de rechtspraak niet zozeer een doel op zich van de openbaarheid is, als wel een uitvloeisel daarvan, een bijkomend aspect. In dit verband wordt in strafrechtelijke kringen wel gesproken van de preventieve werking van de openbaarheid. De mogelijkheid om gecontroleerd te worden doet de rechterlijke macht zorgvuldiger opereren dan bij besloten behandeling en uitspraak het geval zou zijn. Dit standpunt is betwist door Elders in zijn interventie op de vergadering van de NJ V 1983 naar aanleiding van het door Dommering uitgebrachte preadvies. Tegenover de stelling dat het vertrouwen van de rechtspraak met openbaarheid is gediend, stelt Elders dat de rechtspraak beter kan gedijen in beslotenheid. Het schriftelijke karakter van de civiele procedure en de beslotenheid van de raadkamer zouden dit vertrouwen minstens zo goed, zo niet beter waarborgen. Hoe meer publieke belangstelling, hoe moeilijker het voor de rechter zou zijn om onbevangen te oordelen.9
Mijns inziens is niet aangetoond dat bij afscherming van de - wat ik maar zal noemen fysieke - openbaarheid de kwaliteit van de rechtspraak en, in het verlengde daarvan, het daarop gebaseerde vertrouwen in de rechtspraak, verhoogd zou worden. Publieke belangstelling kan juist integendeel ten goede komen aan de kwaliteit van rechtspraak. In dit opzicht is het hierboven aangehaalde citaat van De Boer treffend. Afgezien daarvan wordt het vertrouwen in de rechtspraak niet alleen gewekt door de kwaliteit der uitspraken, doch ook - zij het dat deze overweging van minder belang is - door het feit dat het publiek ervaart dat rechterswerk mensenwerk is. Een uitspraak gedaan door een mens van vlees en bloed wordt wellicht eerder geaccepteerd door het publiek dan een uitspraak afkomstig van een afgeschermd rechter(lijk college) vanuit de spreekwoordelijke ivoren toren. Men wil met andere woorden ervaren dat de rechter in de maatschappij staat en niet erbuiten en hem aan het werk kunnen zien. 'Een open deur dus voor de rechtszaal, en een zichtbare rechter.'10 Overigens speelt dit laatste element minder in het burgerlijk proces dan in het strafproces.
Bij de voorgaande bespreking van de doeleinden van openbaarheid is op diverse plaatsen tevens geput uit strafrechtelijke literatuur. De vraag is of dat geheel terecht is. Is het niet zo dat de openbaarheidseis van art. 6 EVRM anders geïnterpreteerd moet worden al naar gelang men te maken heeft met een strafrechtelijke, civielrechtelijke, dan wel administratiefrechtelijke procedure, en dat mitsdien de geformuleerde doeleinden niet voor elk van deze procedures gelijkelijk opgaan?
Elders meent dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds de burgerlijke procedure en anderzijds de straf- of administratiefrechtelijke procedure: 'Met name in het burgerlijk proces waar de gelijkheid van partijen vooropstaat en waar zij zelf de inhoud en omvang van het geding bepalen, lijkt mij de urgentie van openbaarheid anders te liggen dan in het strafproces waarbij het algemeen belang rechtstreeks is betrokken of in bestuurszaken waarbij controle op doen en laten van de overheid een eerste eis is.'11
De gedachte van Elders is plausibel. Openbaarheid heeft in het strafprocesrecht een absoluter karakter dan in het burgerlijk procesrecht. Het algemeen belang betrokken bij de openbaarheid in het strafrecht eist een grotere plaats op dan in het burgerlijk procesrecht. Dit heeft zijn repercussies op de al dan niet stringentere doorvoering van de openbaarheid: in het strafproces vraagt het algemeen belang, meer dan in de burgerlijke procedure, om een mondelinge c.q. fysieke vorm van openbaarheid. In de burgerlijke procedure kán een schriftelijke procesgang op zich volstaan.12
Voorts brengt de prominente plaats van de partijautonomie in het burgerlijk geding13 mee dat een afstand door partijen van de openbaarheid onder zekere omstandigheden tot de mogelijkheden moet behoren, terwijl zulks in het strafproces moeilijk voorstelbaar is. Er is hier een lijn te trekken van het strafproces, via het burgerlijk proces, naar de arbitrage, welke lijn een dalende mate van openbaarheid vertoont: is afwijking van de openbaarheid in het strafproces ondenkbaar, in het burgerlijk proces is zulks wel voorstelbaar, terwijl arbitrage door partijen vaak verkozen wordt juist vanwege het besloten karakter daarvan.
Deze laatste constatering geeft aanleiding tot nog een enkele uitleidende opmerking. Bij de bespreking van de openbaarheid gaat het niet zozeer om de al dan niet gerechtvaardigdheid van dat beginsel, maar meer om de begrenzingen daaraan.
Toepassing van het openbaarheidsbeginsel in de civiele procedure dient met gematigdheid te geschieden; daarbij moet het doel van die openbaarheid steeds goed voor ogen staan. Met een te grote mate van openbaarheid is de civiele procedure niet gediend. Het zou een vlucht in de particuliere rechtspraak kunnen betekenen.14