Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.6.e
VI.3.6.e Een geschil over de levering en betaling
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379796:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § V.4.2.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 24.
Een voorbeeld van een geschil dat in aanmerking komt voor de verzoekschriftprocedure van art. 2:341 lid 7 BW, is de vraag wat precies onder 'zoveel mogelijk' naar evenredigheid van ieders aandelenbezit in de zin van aart. 2:341 lid 1 BW betekent.
Zie Westbroek (1985/2), p. 727: 'De rechter zal bij dergelijke problemen goede diensten kunnen verlenen.'
Zie Losbl. Rp. (Roest), art. 341, aant. 6. Blijven beide aandeelhouders in gebreke, dan biedt art. 2:341 lid 7 BW geen soelaas. De vennootschap zou hen in een kort geding-procedure kunnen dwingen hun verplichtingen uit de uitspraak na te komen, omdat haar belang was geschaad, aldus Roest. Dit geeft mijns inziens eveneens het geringe belang aan van art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW.
Handboek (1992), nr. 357; zie ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 720.
Zie over pandhouder en vruchtgebruiker ook § IV.5 en § IV.6.4.a.
Zie noot sub 5 onder OK 28 september 2000, JOR 2000/218 m.nt. Leijten (MMP/VHC). De OK had in deze uitspraak tevens haar bevel tot overname en betaling contra legem uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit arrest ontlokte bij Sanders/Westbroek (2005), p. 383 de opmerking dat de OK `(...) een hele reeks wettelijke dan wel eerder door haar zelf geformuleerde regels aan haar laars lapte (...). Gelukkig ziet de rechter in formele regels niet zonder meer een beletsel voor een rechtvaardige uitspraak, maar de rechtszekerheid eist toch wel dat de rechter de regels zoveel mogelijk wel naleeft.'
In art. 2:341 lid 7 BW is nog een aparte procedure opgenomen.1 Rijzen er moeilijkheden rond de overdracht van de aandelen, dan kan de meest gerede partij een beslissing van de rechter die de vordering toewees, uitlokken. In eerste aanleg beslist de rechtbank, en in hoger beroep de OK op een dergelijk verzoek. De wetgever zag als voordeel van deze bepaling dat een executiegeschil bij een rechter die de zaak niet kent, wordt uitgesloten. Uit de wettekst lijkt te volgen dat sprake is van een verzoekschriftprocedure, omdat de tekst aanvangt met 'op verzoek', maar de toelichting doet anders vermoeden. Er zou sprake zijn van een 'incidentele beslissing', wat kan duiden op een incident in een dagvaardingsprocedure.2
Ik neem aan dat hier echter niet een incidentele vordering bedoeld wordt, en hoe onpraktisch en vreemd ook — de procedure van art. 2:341 lid 7 BW een verzoekschriftprocedure is.3 Het hangt van de stand van het geding af welke rechter bevoegd is. Bevindt de procedure zich nog bij de eerste feitelijke instantie, dan is de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap de competente rechter. Hieruit lijkt te volgen dat bijvoorbeeld in hoger beroep executiegeschillen op grond van lid 7 niet bij de gewone civiele rechter, maar bij de OK terechtkomen. Zeker is dit echter niet. Om de aandelenoverdracht niet tot in lengte van dagen te vertragen, zijn hoger beroep en cassatie voor dit soort beslissingen uitgesloten. De uittredingsprocedure kent een identiek luidende bepaling in art. 2:343 lid 9 BW.
Westbroek was enthousiast over de 'belangrijke voorziening' van art. 2:341 lid 7 BW. Hij dacht dat de geschillen over de toewijzing van één laatste aandeel zo op redelijk korte termijn konden worden opgelost.4 Ook de weigerachtige eiser in een uitstotingsprocedure kon met deze bepaling gedwongen worden de aandelen te aanvaarden.5
Van der Grinten wees op vragen die rijzen bij de gedwongen overdracht van aandelen waarop een pandrecht of vruchtgebruik rust. Hoewel de pandhouder en vruchtgebruiker niet partij waren in de procedure, kon de rechter op de voet van art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW dergelijke vragen beantwoorden. Van der Grinten zag als oplossing dat de koopprijs aan de pandhouder werd afgedragen tot het bedrag van zijn vordering. Bij een vruchtgebruik op de aandelen werd de koopprijs voor wederbelegging aangewend, met de vestiging van het vruchtgebruik.6 Mijns inziens is deze gedachtegang niet juist. Pandrecht en vruchtgebruik hebben zaaksgevolg. De bezwaarde aandelen gaan over op de nieuwe eigenaar, die niet de volledige eigendom verkrijgt. Hij ontvangt aandelen bezwaard met een pandrecht of vruchtgebruik. Omdat de pandhouder en vruchtgebruiker geen partij zijn in de procedure, doet toepassing van art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW gekunsteld aan.7
Interessant is de oplossing van annotator Leijten voor een uittredingsarrest van OK waarin in het dictum niet de dubbele veroordeling was opgenomen. De OK had de laatste zin van art. 2:343 lid 1 BW over het hoofd gezien en veroordeelde slechts de gedaagde aandeelhouder tot overname en betaling van de aandelen. Ingevolge art. 2:343 lid 9 BW kon de eisende aandeelhouder verplicht worden (versterkt met een dwangsom) het arrest ex art. 997a lid 3 Rv te betekenen, bedacht Leijten. Het achterwege laten van haar veroordeling om de aandelen te leveren werd zo geheeld.8 Uit de gepubliceerde jurisprudentie is van toepassing van art. 2:341 lid 7 of 2:343 lid 9 BW niet gebleken.
Teneinde de procesrechtelijke aspecten van de geschillenregeling zoveel mogelijk te versimpelen stel ik voor de bepalingen over de gang naar de rechter in verband met de uitvoering van zijn uitspraak te schrappen. Praktisch nut heeft de regel niet. Zij geeft eerder aanleiding tot nog meer procedures tussen 'eeuwig strijdende aandeelhouders'. Indien de rechter de ene partij veroordeelt tot levering en de andere tot betaling, dan is zo'n dictum mijns inziens helder genoeg. Zijn er in een uittredingsprocedure meer gedaagde aandeelhouders, dan kan de rechter in zijn eindvonnis aangeven wat er moet gebeuren met eventuele 'overgebleven' aandelen. Ook het volgen van de aanbiedingsregeling kan bij de uitstoting niet tot problemen leiden. Voor alle aandelen die niet conform de aanbieding worden aanvaard, geldt het vonnis van art. 2:341 lid 1 BW. Ik wijs ook op de door mij voorgestelde regeling voor levering en overdracht in § V.5.