Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/8.3
8.3 Object van levering
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344330:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook par. 6.2 e.v. met verwijzingen.
Zie par. 6.2, 6.3.
Zie par. 6.11.
Zie par. 2.3.
Zie par. 6.2.
Zie par. 6.5.
Zie par. 6.5.
Art. 3.7.1.14 lid 3 OM.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 618.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 620. Zie: Pleysier 1983, p. 354; Van Hemel 1998, p. 294 e.v.; Van Hemel 2014, p. 109-110 over de misvatting van de noodzaak tot aanpassing op dit punt. Van Hemel 1998, p. 303-304: ‘De wijziging van het woord “overdracht” in het woord “overgang”, zo volgt uit de daarop gegeven toelichting, is dus niet een blijk van een geheel andere opvatting van de wetgever over de werking van de verdeling; zij is slechts een gevolg van een poging (...) die op een onzuivere grondslag rust, namelijk op dezelfde onzuivere hantering van het woord “titel” als die waartoe Meijers zich in zijn toelichting heeft laten verleiden.’
Kamerstukken II 1986/87, 17496, 26, p. 2 (L.v.Vr. II Inv.) en Kamerstukken II 1986/87, 17496, 28, p. 5 (L.v.Antw. II Inv.). De lijst van vragen is vastgesteld op 3 juni 1987 en de lijst van antwoorden is ontvangen op 10 juni daarna.
Is er sprake van een verkrijging krachtens erfrecht dan dient te worden aangenomen dat erfgenamen de nalatenschapsgoederen door erfopvolging hebben verkregen en deze goederen houden onder dezelfde titel als waaronder de erflater deze voor zijn overlijden hield. Blijkens de werking van art. 3:186 lid 2 BW worden de betreffende goederen ook na verdeling en levering onder de laatstbedoelde titel gehouden. De verkrijging krachtens verdeling – een verkrijging onder bijzondere titel – laat dat onverlet. Zie: Verstappen 1996, p. 67; Van Hemel 1998, p. 299; Van Hemel 2014, p. 110.
Zie: par. 2.2; Zwalve 1984, p. 93-94 (Justiniaans recht), p. 118 (NBW).
Art. 3:177 lid 1 BW: ‘Wordt een gemeenschappelijk goed verdeeld of overgedragen, terwijl op het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust, dan komt dat recht te rusten op het goed voor zover dit door die deelgenoot wordt verkregen, en wordt het goed voor het overige van dat recht bevrijd (...).’ Zie ook: Zwalve 1984, p. 94-98; Van Hemel 1998, p. 140, 141. Beide bronnen verwijzen naar Simon à Groenewegen van der Made in Tractatus de legibus abrogatis et inusitatis in Hollandia vicinisque regionibus naar aanleiding van D. 20, 6, 7, 4 (Gaius). Vergelijk ook Zwalve 1984, p. 119-120 over de relevantie van de (minderheids)opvatting van Trebatius, D. 33, 2, 31 (Labeo), voor huidig recht.
Het feit dat de Wet op belastingen van rechtsverkeer tot uitgangspunt neemt dat hetgeen krachtens verdeling wordt verkregen, geacht wordt voor het geheel te zijn verkregen, mag mijns inziens niet aan de hier voor het civiele recht voorgestelde wijze van effectuering van de verdeling worden tegengeworpen. Bij de bepaling van hetgeen in het kader van verdeling als rechtens dient te worden beschouwd dient in beginsel enkel te worden gelet op de behoeften van het civiele recht (vergelijk MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 612). Overigens wordt voor de vaststelling van de maatstaf van heffing binnen de Wet op belastingen van rechtsverkeer de waarde van de verkrijging (in de regel) verminderd met de waarde van de deelgerechtigdheid van de verkrijger in de verdeelde goederen (art. 7 Wbr jo. art. 12 lid 1 Wbr).
Met betrekking tot het object van levering ter uitvoering van de verdeling kan het volgende worden overwogen. Op grond van het bepaalde in art. 3:186 lid 1 BW is voor de overgang van het aan ieder van de deelgenoten toegedeelde een levering vereist. Zowel de wettekst als de toelichting daarop geven de indruk dat het object van de levering het gehele verdeelde ofwel toegedeelde goed betreft.1 Zo spreekt de wettekst over de levering in het kader van de overgang van ‘het toegedeelde’ en spreekt de minister over het feit dat krachtens verdeling – ‘de vaststelling van wat aan ieder van de deelgenoten toekomt’ – de ‘verdeelde goederen worden geleverd en aldus verkregen’.2 Indien een dergelijke benadering tot uitgangspunt wordt genomen voor het antwoord op de vraag wat het object van de levering ter uitvoering van de verdeling betreft, zal het gehele gemeenschapsgoed als object van levering moeten worden beschouwd.3
De vraag kan worden gesteld of de aanname dat het object van de levering ter uitvoering van de verdeling het gehele gemeenschapsgoed moet betreffen wel zo noodzakelijk is als het op grond van de wettekst en de toelichting daarop lijkt. Kan in het kader van een alternatieve benadering van de levering ter uitvoering van de verdeling van een goed wellicht worden volstaan met de levering van een aandeel in het betreffende goed in plaats van de levering van het goed als geheel?
Zoals ik eerder heb gesteld wordt de reikwijdte van het ‘verkrijgen’ in het kader van verdeling bepaald door enerzijds de reikwijdte van het begrip ‘verkrijgen’ zoals bedoeld in de eerste volzin van het wettelijke verdelingsbegrip (object: goed als geheel)4 en anderzijds door de mate waarin een deelgenoot over (zijn aandeel in) het gemeenschapsgoed kan beschikken (object: aandeel).5 Indien deze criteria worden gekoppeld aan het object van verdeling respectievelijk levering, dan leidt dit tot de uitkomst dat als object van verdeling wordt aangemerkt het gehele gemeenschapsgoed en dat als object van de levering ter uitvoering van verdeling wordt aangemerkt het aandeel in het gemeenschapsgoed naar de mate waarin een deelgenoot over zijn aandeel daarin kan beschikken.
Het belang om ter uitvoering van de verdeling van een goed een aandeel in het betreffende goed te leveren kan erin zijn gelegen dat daarmee een oplossing wordt gecreëerd voor enkele eerder geconstateerde kwesties. De voor verdeling vatbare gemeenschappen dienen als breukdelengemeenschappen te worden aangemerkt.6 Bij dergelijke gemeenschappen brengen beginselen van goederenrecht met zich dat in beginsel verkregen wordt hetgeen men niet heeft en niet (ook) hetgeen men reeds heeft.7 Tevens kan ten gevolge van de bovenstaande benadering conversie ter opheffing van een gebrek in de uitvoering van de titel achterwege blijven, indien ‘slechts’ een aandeel wordt geleverd.8 Daarnaast hoeft niet langer discussie te bestaan over de (on)mogelijkheid van het maken van onderscheid tussen de effectuering van een verdeling in strikte zin en een als verdeling aan te merken rechtshandeling anders dan verdeling in strikte zin (zoals koop).9
Kan er gelet op de regeling van de verdeling bezwaar bestaan tegen een dergelijke wijze van handelen? In zijn Ontwerp neemt Meijers een regeling op, die de voorloper is van het latere art. 3:186 lid 1 BW. Meijers formuleert in die fase in termen van overdracht in plaats van overgang:
‘De overdracht van het aan een ieder der deelgenoten toebedeelde dient te geschieden op de wijze als voor overdracht van goederen in het algemeen is voorgeschreven.’10
Meijers motiveert deze keuze met de volgende toelichting:
‘Het derde lid van het artikel [art. 3.7.1.14 lid 3 OM, vergelijkbaar met het huidige art. 3:186 lid 1 BW, THS] breekt met de zogenaamde declaratieve kracht der scheiding.’11
Op een andere plaats in zijn Toelichting merkt Meijers op dat:
‘(...) aan de deling geen declaratieve maar een zuiver obligatoire werking wordt toegekend (...).’12
Slechts op een onderdeel is Meijers van mening dat een aspect dat aan de declaratieve werking doet denken blijft gehandhaafd:
‘Het enige punt, waarop in het stelsel van het ontwerp de werking van een verdeling aan een declaratieve kracht doet denken, is dat een scheiding geen verandering in de titel, krachtens welke men houdt, brengt.’13
Dat op enig moment in het artikellid dat we thans kennen als art. 3:186 lid 2 BW het woord ‘overdracht’ wordt vervangen door ‘overgang’, doet de bovenstaande kwalificaties niet noodzakelijk wijzigen.14
In dit verband is eveneens relevant de vraag gesteld door de Commissie voor Justitie uit de Tweede Kamer tegen het einde van het wetgevingsproces met betrekking tot de aard van de verdeling.15 De bedoelde Commissie vraagt aan de minister:
‘Is de conclusie van de commissie juist dat in titel 3.7 noch voor het zogenaamde translatieve stelsel, noch voor het zogenaamde declaratoire stelsel is gekozen, doch voor een tussenfiguur in die zin dat de deelgenoot eerst verkrijgt door de leveringshandeling die op de verdeling volgt (translatief), doch dat die verkrijging krachtens de onderhavige bepaling een verkrijging is onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten het goed tezamen voor de verdeling hielden (declaratoir).’16
Het antwoord van de minister luidt:
‘De conclusie van de commissie wordt geheel onderschreven. Getracht is van beide oudtijds tegenover elkaar gestelde constructies de praktische voordelen zonder de nadelen over te nemen.’17
Voor de handhaving van de hierboven bedoelde declaratieve (declaratoire) werking is het niet noodzakelijk dat het gehele goed object van levering is ter uitvoering van de verdeling. Ter uitvoering van de verdeling – de vaststelling wat aan ieder van de deelgenoten toekomt18 – is wel noodzakelijk dat de regeling van art. 3:186 lid 2 BW daarop van toepassing is. Met de regeling van art. 3:186 lid 2 BW wordt erin voorzien dat hetgeen een deelgenoot verkrijgt door hem wordt gehouden onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden.19 Zo wordt verzekerd dat levering van een aandeel in een goed leidt tot een vergelijkbaar gevolg met betrekking tot de titel waaronder de verkrijger houdt als de levering van het goed als geheel. Hetgeen de deelgenoot reeds heeft, houdt hij immers onder dezelfde titel als de titel waaronder hij het verkregen aandeel zal gaan houden.
De vraag kan worden gesteld of een dergelijke benadering niet een complexe casuïstiek tot gevolg heeft zoals bijvoorbeeld eerder voor het Romeinse recht is geconstateerd?20 Een dergelijke complexiteit kan worden vermeden indien de regeling van beschikkings(on)bevoegdheid over aandelen gedurende de periode van onverdeeldheid afhankelijk wordt gesteld van het resultaat na verkrijging krachtens verdeling. Het bepaalde in art. 3:177 lid 1 BW kan in dat licht worden bezien.21
Gelet op het bovenstaande is het zowel wenselijk als denkbaar dat de hier als alternatief voor de levering van het gehele goed gepresenteerde wijze van effectuering van de verdeling door levering van het aandeel, tot een rechtens juiste handelwijze wordt verheven.22 Hiertoe mag aan de minister in overweging worden gegeven op consequente wijze de regeling van de verdeling te doordenken en van (voorstellen tot) verbetering te voorzien. Van een dergelijke verbetering mag in elk geval de hierboven behandelde alternatieve benadering van de levering ter uitvoering van de verdeling deel uitmaken.