Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.A.4.b
b. Doel(en)
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477346:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus J.A. Zevenbergen, H.E. van Rij, ‘Het ontwerp Wet inrichting landelijk gebied (Wilg), een eerste verkenning’, p. 676.
In het wetsvoorstel uit juli 2005 stopte de definitie hier. Commissie Wilg, ‘Advies over de Wet Inrichting landelijk gebied (Wilg)’, p. 479 betitelt deze (aanvankelijke) definitie als ‘weinig gelukkig geformuleerd’, aangezien op deze wijze enkel het begrip ‘inrichting’ omschreven werd, terwijl de begrippen ‘bestemming’, ‘beheer’ en ‘beschikking’ volledig onderbelicht bleven. Zie over de termen ‘bestemming’, ‘inrichting’ en ‘beheer’ nader onderdeel B van het volgende hoofdstuk.
Bij wet van 25 november 2013, houdende wijziging van de Wet inrichting landelijk gebied, Stb. 513 is deze definitie per 1 januari 2014 komen te vervallen. Zie nader onderdeel F.6 hierna.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 3, p. 82. Zie tevens H.W. Mojet, Regelgeving inrichting landelijk gebied, p. 84, alsmede hfdst. III, onderdeel B.
Zie onderdeel G.3 van het vorige hoofdstuk.
Zie achtereenvolgens de onderdelen D.2, E.1, El en G.3 van het vorige hoofdstuk.
Waarover meer in onderdeel H.2 van dit hoofdstuk.
Het doel van de WILG is tweeledig: naast de decentralisatie door middel van het hiervoor in onderdeel A.3.c. beschreven (en per 1 januari 2014 vervallen) Investeringsbudget Landelijk Gebied, dient de WILG tot versnelling en vereenvoudiging van de diverse landinrichtingsinstrumenten.1
De term ‘landinrichting’ wordt in artikel 1 lid 1 van de WILG omschreven als:
“maatregelen en voorzieningen gericht op de inrichting van het landelijke gebied2 met gebruikmaking van de bevoegdheden en instrumenten, bedoeld in de hoofdstukken 4 tot en met 9.”
Ook het begrip ‘gebiedsgericht beleid’ had tot 1 januari 2014 een wettelijke basis en wel in het tot die datum geldende artikel 1, lid 1, onderdeel b van de WILG, waar het als volgt werd gedefinieerd:
“beleid, gericht op de verbetering van de kwaliteit van het landelijke gebied, in elk geval ten aanzien van natuur, recreatie, landschap, landbouw, sociaal-economische vitaliteit, milieu en water, voor zover het betreft inrichting, gebruik en beheer van daarvoor specifiek in aanmerking komende delen van het landelijke gebied, met inbegrip van de reconstructie van de concentratiegebieden, bedoeld in art. 4 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.”3
In artikel 16 van de WILG is de doelstelling van landinrichting opgenomen, De wettekst luidt aldus:
“Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.”
De wetgever vermeldt over deze doelstelling het volgende:
De doelstelling van landinrichting zoals opgenomen in artikel 16 is ten opzichte van artikel 4 van de Landinrichtingswet niet gewijzigd. Door de koppeling met de functies van het landelijk gebied wordt duidelijk gemaakt dat het inrichtingsinstrumentarium van het voorliggende wetsvoorstel niet exclusief gekoppeld is aan de realisatie van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk waarvoor het voorliggende wetsvoorstel een kader voor programmering en financiering biedt. Ofschoon de realisatie van een inrichtingsproject – behoudens mogelijke vrijstellingen – uiteindelijk alleen mogelijk is indien de voorgenomen inrichting in overeenstemming is met een bestemmingsplan, beoogt de in artikel 16 gebezigde terminologie «de functies die in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven» tot uitdrukking te brengen dat inrichting mede ten dienste staat van het ruimtelijke beleid meer in den brede, zoals dat mede wordt bepaald in het kader van streekplannen, structuurplannen, planologische kernbeslissingen dan wel – onder de toekomstige Wet ruimtelijke ordening - structuurvisies.”4
Er is derhalve, net als onder de Landinrichtingswet het geval was, 5 sprake van een doelstelling met een multisectoraal karakter. De evolutie van een puur-agrarische ruilverkaveling naar een breed inzetbare landinrichting, 6 heeft zich onder de WILG dus voortgezet. Daarbij moet wel geconstateerd worden dat qua doelstelling de WILG eerder gekarakteriseerd kan worden als verfijning/aanscherping van de onder de Landinrichtingswet ingezette lijn, dan als een evolutie, zoals bij de overgang van de Ruilverkavelingswet 1938 naar de Ruilverkavelingswet 1954 het geval was.
Deelgebieden die binnen de doelstelling van artikel 16 WILG vallen en waarvoor het (nieuwe) landinrichtingsinstrumentarium kan worden ingevuld zijn bijvoorbeeld: natuur (Ecologische Hoofdstructuur, 7 Ecologische Verbindingszones), water (waterberging, hermeanderen van waterlopen), landbouw (inrichting van de grondgebonden landbouw), milieu (ammoniak en geurhinder), leefbaarheid, recreatie en toerisme en cultuurhistorie. Aan aanwendingsmogelijkheden is er onder de WILG dus geen gebrek.