Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/2.3
2.3 Communautarisering van het IPR
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS379473:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht gold art. K3 EU-Verdrag als de primaire rechtsbasis voor de samenwerking in burgerlijke zaken. Het Verdrag van Maastricht is per 1 november 1993 in werking getreden.
Dit wordt echter door sommige auteurs bestreden. Deze zijn van mening dat het feit dat de ontstane regelingen op art. 220 EG-Verdrag zijn gebaseerd, ertoe leidt dat sprake is van gemeenschapsrecht dan wel van gemeenschapsrecht sui generis (L.Th.L.G. Pellis, 'All Roads lead to Brussels: Towards a Uniform European Civil Procedure', NILR 1990, p. 372-396).
Verdrag betreffende de onderlinge erkenning van vennootschappen en rechtspersonen (Trb. 1968, 113). Zie nader over dit verdrag: P. Vlas, Rechtspersonen, Praktijkreeks IPR deel 9, 3e druk, Deventer: Kluwer 2002, nr. 39 e.v.
Verdrag betreffende insolventieprocedures in de Europese Unie. Voor een voorlopige tekst van het verdrag zie bijvoorbeeld T.M. Bos, Grensoverschrijdend faillissementsrecht in Europees perspectief, diss. VU, Deventer: Kluwer 2000, p. 363.
Het Verdrag van Amsterdam is per 1 mei 1999 in werking getreden (Trb. 1998, 11; Trb. 2002, 153).
Art. 61 sub c jo. art. 65 EG.
Zie ook art. 111-158 lid 1 van het ontwerp van de Europese Grondwet (Pb EU C 169 van 18 juli 2003, p. 1) waar bepaald wordt dat de EU een ruimte is van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, waarin de grondrechten worden geëerbiedigd en rekening wordt gehouden met de verschillende rechtstradities en -systemen van de lidstaten. Het vierde lid van art. 111-158 draagt aan de Unie de zorg op voor de vergemakkelijking van de toegang tot de rechter, met name door het uitwerken van het beginsel van wederzijdse erkenning van gerechtelijke en buitengerechtelijke beslissingen in civiele zaken. In het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa (Trb. 2004, 275) is de materie van art. 111-158 lid 1 van het ontwerp overgebracht naar art. 111-257 lid 1, waarin gesproken wordt van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
Hierbij kan met name worden gedacht aan het consumenten- en verzekeringsrecht.
Conclusies van Tampere, nr. 39.
De Europese Gemeenschap is primair gericht op een economische samenwerking. De beperking dat de maatregelen genomen mogen worden, voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt, kwam ook in art. 100a EG-Verdrag (art. 95 EG) voor, op basis waarvan de maatregelen tot aanpassing van de wettelijke bepalingen in de lidstaten betreffende de instelling en goede werking van de interne markt vastgesteld konden worden.
In art. 111-269 van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa wordt het treffen van deze maatregelen beperkt tot maatregelen die voor de goede werking van de interne markt nodig zijn. In art. 111-170 van het ontwerp van de Europese Grondwet was deze beperking niet opgenomen.
Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Nice op 1 februari 2003 (Trb. 2001, 47; Trb. 2003, 27) gold de bijzondere procedure van art. 67 EG ook voor andere rechtsgebieden dan het personen- en familierecht.
Zie over de verdeling van de bevoegdheden voor het indienen van een voorstel voor het treffen van maatregelen op het terrein van internationaal privaatrecht: K. Boele-Woelki, R.H. van Ooik, 'De ingrijpende communautarisering van het internationale privaatrecht', SEW 2002, p. 394-407 (i.h.b. p. 397 e.v.).
Zie over de te volgen procedure bij de inschakeling van een bemiddelingscomité: R.H. Lauwaars, C.W.A. Timmermans, Europees recht in kort bestek, Deventer: Kluwer 2003, p. 94.
K. Lenaerts, K. Arts, Europees procesrecht, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu-Uitgevers 1999, nr. 74. Over het onjuiste gebruik van het begrip 'hoger beroep' in de context van het Verdrag (specifiek in art. 68 EG) zie R. Barents, Het Verdrag van Amsterdam, Deventer: Kluwer 1999, p. 131. In de literatuur wordt dan ook aangegeven dat in het kader van Titel IV EG slechts de hoogste rechterlijke instanties bevoegd zijn tot het stellen van prejudiciële vragen (RH. Lauwaars, C.W.A. Timmermans, Europees recht in kort bestek, Deventer: Kluwer 2003, p. 238). Zie ook K. Boele-Woelki, RH. van Ooik, SEW 2002, p. 406.
Kamerstukken II 1997/98, 25 922, nr. 3, p. 21 (MvT).
Er dient te worden opgemerkt dat in het bijna 30-jarige bestaan van het Protocol van deze mogelijkheid nooit gebruik is gemaakt.
Pb EG C 340 van 10 november 1997, resp. p. 99 en 101.
Vgl. art. 8 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland.
Opmerkelijk is de regeling van art. 5 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken. Denemarken kan binnen 6 maanden nadat de Raad een maatregel op basis van Titel IV EG heeft vastgesteld, besluiten om deze maatregel in zijn nationale wetgeving om te zetten. Er wordt dan een volkenrechtelijke verplichting tussen Denemarken en de andere aan de maatregel deelnemende lidstaten geschapen. Dit leidt ertoe dat de maatregel dan alle lidstaten bindt, zij het dat Denemarken daaraan niet op basis van het gemeenschapsrecht is gebonden (K. Lenaerts, P. Van Nuffel, Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen-Apeldoorn: Maklu-Uitgevers 2003, nr. 218).
D. Besse, ZEuP 1999, p. 112.
In de literatuur wordt aangevoerd dat het reeds voor de Gemeenschap onder de werking van art. 100a EG-Verdrag mogelijk is geweest om maatregelen te treffen, voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt. Onder deze bepaling werd de codecisieprocedure van art. 189B EG-Verdrag op de totstandbrenging van een maatregel van toepassing verklaard (j. Basedow, EuZW 1997, p. 609). Dat de regeling van de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in burgerlijke en handelszaken voor de goede werking van de interne markt nodig is, vloeit zelfs uit het feit voort dat er een 'opdracht' daartoe in het Verdrag (nl. in art. 65 EG) is opgenomen.
De justitiële samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie in burgerlijke zaken op het terrein van het internationaal privaatrecht werd tot de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam slechts op art. 220 EG-Verdrag (thans art. 293 EG) gebaseerd.1 Deze samenwerking had tot gevolg dat de ontstane regelingen de status van een volkenrechtelijk verdrag hebben; de regelingen maken geen deel uit van het gemeenschapsrecht.2
Art. 220 EG-Verdrag heeft slechts tot één regeling geleid die daadwerkelijk in werking is getreden, nl. het EEX-Verdrag. Zo is bijvoorbeeld het EEG-Rechtspersonenverdrag3 nooit in werking getreden en is het EU-Insolventieverdrag4 nooit als zodanig vastgesteld.
De inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam5 heeft tot een 'europeanisering' van de intergouvernementele samenwerking in burgerlijke zaken geleid. Op basis van de nieuw ingevoerde Titel IV EG (Visa, asiel en andere beleidsterreinen die verband houden met het vrije verkeer van personen) heeft de Europese Unie de bevoegdheid gekregen tot het treffen van maatregelen op het gebied van het privaatrecht met grensoverschrijdende gevolgen, mits de maatregelen nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.6
Art. 61 EG verleent aan de Raad de bevoegdheid tot het treffen van de maatregelen ter bevordering van de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Het inleidende artikel van Titel IV EG bouwt op art. 2 EU-Verdrag voort. In de laatstgenoemde bepaling heeft de Europese Unie zich tot doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te handhaven en te ontwikkelen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met de passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asielimmigratie, voorkoming en bestrijding van criminaliteit.7 Thans dient de samenwerking op dit gebied in het licht van het vrije verkeer van personen te worden bezien.
De opdracht tot een justitiële samenwerking in burgerlijke zaken wordt in art. 65 EG nader uitgewerkt. De samenwerking is beperkt tot burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen. Het is niet de bedoeling om het privaatrecht in de Europese Unie te unificeren. Het civiele recht is reeds op diverse deelterreinen door de implementatie van de verschillende EG-richtlijnen geharmoniseerd.8 Ten aanzien van het materiële recht heeft de Europese Raad in de Conclusies van Tampere dan ook overwogen om 'een alomvattende studie uit te voeren over de noodzaak de wetgevingen van de lidstaten op burgerrechtelijk gebied onderling aan te passen teneinde belemmeringen voor een goede rechtsgang in burgerlijke zaken weg te nemen'.9 Eveneens dient te worden opgemerkt dat de maatregelen in het kader van Titel IV EG slechts genomen mogen worden, voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt.10
Art. 65 EG is primair gericht op een samenwerking op het gebied van het internationale procesrecht. Het betreft de maatregelen ter verbetering en vereenvoudiging van:
grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken;
vergaring van bewijsmiddelen;
erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
Eveneens kan de Raad op basis van art. 65 EG maatregelen treffen die betrekking hebben op de in de lidstaten geldende collisieregels. Het artikel biedt ook mogelijkheid tot het treffen van de maatregelen ter afschaffing van de hinderpalen voor de goede werking van de civielrechtelijke procedures.11
De Raad kan tweeërlei maatregelen nemen, nl. een verordening of een richtlijn. Aangezien het onderwerp van art. 65 EG betrekking heeft op een materie die tot nu toe aan de lidstaten ter nadere uitwerking werd overgelaten, rijst de vraag naar de kwaliteit van de besluitvorming bij de vaststelling van een dergelijk communautair instrument. In het kader van art. 220 EG-Verdrag (thans art. 293 EG) was er geen sprake van communautaire besluitvorming. De onderhandelingen bij de totstandkoming van een regeling op basis van art. 220 EG-Verdrag werden door de afzonderlijke staten gevoerd. Aan de Europese Commissie werd daarbij een coordinerende taak gelaten. In het kader van art. 65 EG kunnen de lidstaten minder invloed op het resultaat van de onderhandelingen uitoefenen. Ingevolge art. 67 lid 5 EG worden de maatregelen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op het personen- en familierecht, genomen op basis van de codecisieprocedure van art. 251 EG.12 De maatregelen worden op voorstel van de Europese Commissie na raadpleging van het Europees Parlement met een gekwalificeerde meerderheid der stemmen genomen.13 In het kader van deze procedure wordt het Europees Parlement, indien nodig, twee keer geraadpleegd. Nadat de Commissie een voorstel heeft gedaan, brengt het Parlement een advies uit. Worden geen amendementen door het Parlement voorgesteld, dan kan de Raad de voorgestelde maatregel vaststellen. De vaststelling van de maatregel kan eveneens onmiddellijk geschieden, indien de Raad alle amendementen goedkeurt. Is dit laatste niet het geval, dan wordt door de Commissie een gewijzigd voorstel uitgebracht. Hierover wordt eveneens een advies van het Parlement gevraagd. Stemt de Raad niet in met de amendementen van het Europees Parlement op dit voorstel, dan moet een bemiddelingscomité worden ingeschakeld.14
Overeenkomstig art. 234 EG is het HvJ EG bevoegd om een uitleg te geven over de bepalingen van het Verdrag, over de handelingen en besluiten van de instellingen van de Gemeenschap en over de statuten van de door de Raad ingestelde organen. Ingevolge lid 2 van dit artikel zijn alle nationale rechters bevoegd tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EG, indien zij een beslissing van het Hof noodzakelijk achten voor het wijzen van de uitspraak. De hoogste rechterlijke instanties zijn gehouden - buiten de gevallen van acte claire en acte éclaire - om een prejudiciële vraag te stellen. Art. 68 EG beperkt de mogelijkheid tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het HvJ EG over de uitleg van de maatregelen gebaseerd op Titel IV EG. Overeenkomstig dit artikel zijn slechts de nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet voor hoger beroep vatbaar zijn, gehouden aan het HvJ EG een prejudiciële vraag te stellen. Bij de beantwoording van de vraag of de beslissing voor hoger beroep vatbaar is, geldt als criterium of de rechtsvragen waarover de lagere rechter uitspraak heeft gedaan, aan een nieuwe rechterlijke beoordeling onderhevig zijn.15
De beperking van de bevoegdheid van het HvJ EG is het resultaat van de belangenafweging tussen enerzijds de uniforme uitleg en anderzijds de voortvarende afwikkeling van de asiel- en andere vreemdelingenprocedures. Nu onder Titel IV EG ook het asiel- en vreemdelingenrecht valt, heeft men een onnodige verlenging van deze procedures willen voorkomen.16
De invoering van de beperking heeft een achteruitgang tot gevolg voor de maatregelen die betrekking hebben op de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Onder de regeling van het EEX-Uitleggingsprotocol zijn ook de rechters die in hoger beroep dan wel verzet oordelen, bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EG. Doordat onder de gelding van art. 68 EG slechts de hoogste rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben tot het stellen van een prejudiciële vraag, bestaat er minder garantie voor een uniforme uitleg van de maatregelen genomen in het kader van Titel IV EG. Dit komt de rechtszekerheid voor de justitiabelen die aan het rechtsverkeer binnen de Europese Unie deelnemen niet ten goede.17
Naast de beperkte bevoegdheid tot het stellen van prejudiciële vragen van de nationale rechterlijke instanties voert art. 68 lid 3 EG een mogelijkheid van een 'cassatie in het belang der wet' op vordering van de Raad, Europese Commissie of een lidstaat. Dit is met art. 4 EEX-Uitleggingsprotocol te vergelijken.18
De werking van de maatregelen van de Raad genomen op basis van Titel IV EG is echter beperkt. Het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken hebben in aparte, aan het Verdrag van Amsterdam toegevoegde protocollen een voorbehoud ten aanzien van de in het kader van deze Titel genomen instrumenten gemaakt.19 Voor het Verenigd Koninkrijk en voor Ierland bestaat de mogelijkheid om een zgn. 'opt in'-verklaring met betrekking tot individuele instrumenten af te leggen op basis waarvan deze landen het voorbehoud gedeeltelijk prijsgeven. Een dergelijke verklaring moet wel afgelegd worden binnen drie maanden nadat het voorstel tot het nemen van een maatregel bekend is gemaakt. Ook is het mogelijk om een dergelijke verklaring na het aannemen van de maatregel af te leggen. Ierland kan ook een verklaring afleggen dat het niet meer onder de bepalingen van het Protocol wenst te vallen.20
Ten aanzien van Denemarken is de situatie gecompliceerder. Denemarken heeft een algeheel voorbehoud met betrekking tot maatregelen gebaseerd op Titel IV EG gemaakt. Denemarken kan op grond van het Protocol betreffende de positie van Denemarken op een later moment het algehele voorbehoud, dan wel een gedeelte daarvan, intrekken. Het is overeenkomstig de bepalingen van het Protocol echter niet mogelijk, zoals het voor het Verenigd Koninkrijk of Ierland wel het geval is, per individuele maatregel het voorbehoud in te trekken.21 Door het voorbehoud is het voor Denemarken niet mogelijk om aan de totstandkoming van een maatregel uit Titel IV EG deel te nemen, dit in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk en Ierland.22
Het voorbehoud van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken ten aanzien van de gehele Titel IV is enigszins verbazingwekkend. De samenwerking op het gebied van het IPR en procesrecht is minder politiek gevoelig dan de samenwerking op het terrein van visa- of asielzaken. Het doel van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken is niet het nationale materiële recht gelijk te maken, maar slechts de 'bemiddelende' collisie- en procesrechtelijke regels te reguleren. Maar juist de 'bemiddelende' functie van het internationaal privaatrecht vereist een uniforme gelding binnen de Gemeenschap. Door het eventuele 'wegblijven' van de genoemde drie landen is een dergelijke gelding moeilijk te bereiken. Het zou misschien aanbeveling hebben verdiend om de justitiële samenwerking in civiele zaken van Titel IV EG los te koppelen en daarvoor een aparte regeling in te voeren.23