Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.4.1.3
II.4.1.3 Opbouw
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De feitenvaststelling door het bestuur komt in deze paragraaf niet nader aan de orde. Dit onderdeel van de werkzaamheid van het bestuur wordt buiten beschouwing gelaten, omdat er geen noodzaak bestaat een vergelijking in dat verband met de rechterlijke werkzaamheid te maken ten behoeve van de vraag naar doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging. De verschillen in de bevoegdheden van het bestuur en de bestuursrechter tot het vaststellen van de feiten zijn ook niet dermate groot dat afzonderlijke bespreking daarvan gerechtvaardigd is. Zie over de feitenvaststelling door de bestuursrechter: T. Barkhuysen, L.J.A. Damen, K.J. de Graaf, A.T. Marseille, W. den Ouden, Y.E. Schuurmans, A. Tollenaar, Feitenvaststelling in beroep (Evaluatie Awb III), Den Haag: BJu 2007.
De opbouw van hoofdstuk 4 inzake de bezwaarschriftprocedure en administratief beroep is als volgt. In paragraaf 4.2, in het bijzonder 4.2.1 tot en met 4.2.5, worden de verschillende functies van de bezwaarschriftprocedure beknopt weergegeven. In paragraaf 4.2.6 wordt ingegaan op de functies van het administratief beroep, omdat deze op een enkel punt afwijken van de functies van de bezwaarschriftprocedure. In paragraaf 4.2.7 worden de conclusies inzake de functies van de bestuurlijke voorprocedures samengevat. Paragraaf 4.3 is vervolgens gewijd aan de heroverwegingsplicht, zoals neergelegd in artikel 7:11 en 7:28 van de Awb, en het ex nunc-karakter van die heroverweging.1 Voordat met de inrichting van de procedures wordt aangevangen in hoofdstuk 5, bevat paragraaf 4.4 tot slot nog conclusies en een korte samenvatting van de bevindingen uit de voorgaande paragrafen.