Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/162:162 Vrij verkeer van diensten
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/162
162 Vrij verkeer van diensten
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS508982:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 3 december 1974, zaak 33/74, Jur. 1974, p. 01299 (Van Binsbergen), r.o. 12.
HvJEG 3 december 1974, zaak 33/74, Jur. 1974, p. 01299 (Van Binsbergen), r.o. 13.
Zie HvJEG 10 januari 1985, zaak 229/83, Jur. 1985, p. 00001 (Leclerc).
HvJEG 10 januari 1985, zaak 229/83, Jur. 1985, p. 00001 (Leclerc), r.o. 26.
HvJEG 10 januari 1985, zaak 229/83, Jur. 1985, p. 00001 (Leclerc), r.o. 27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste zaak waarin het HvJ kreeg te oordelen over misbruik van unierecht betrof een zaak waarin een Nederlandse procesgemachtigde was verhuisd naar België. Aangezien alleen in Nederland woonachtige personen als procesgemachtigde konden optreden werd hem de bevoegdheid om zijn cliënt nog langer te vertegenwoordigen ontzegd. Dit was volgens de cliënt in kwestie in strijd met het vrij verkeer van diensten (thans art. 56 VWEU). Het HvJ oordeelde dat deze woonplaatseis inderdaad een beperking van het vrij verkeer van diensten vormde maar dat lidstaten wel maatregelen mogen treffen om te voorkomen dat een persoon enkel door het verhuizen naar een andere lidstaat zich aan de nationale beroepsregels zou kunnen onttrekken.1 Vervolgens komt het HvJ tot de conclusie:
‘Dat een lidstaat evenmin het recht kan worden ontzegd voorschriften te geven om te verhinderen dat de door artikel 59 (toenmalig EEG-Verdrag, thans art. 56 VWEU, JV) gewaarborgde vrijheid door een dienstverrichter wiens werkzaamheid geheel of voornamelijk op zijn grondgebied is gericht, wordt gebruikt om zich te onttrekken aan de beroepsregels die, ware hij op het grondgebied van die lidstaat gevestigd, op hem van toepassing zouden zijn (…).’2
Het is een lidstaat dus toegestaan om regels te stellen op het moment dat personen het vrije verkeer van diensten gebruiken om nationale (beroeps)regels te omzeilen. Het HvJ geeft vervolgens aan dat van een dergelijke omzeiling sprake kan zijn als de werkzaamheden geheel of voornamelijk gericht blijven op het grondgebied van de betreffende lidstaat. Het HvJ heeft het niet over misbruik van unierecht maar spreekt van het zich onttrekken aan en omzeilen van nationale regels. Deze ‘omzeilredenering’ komt terug in latere rechtspraak en is ook gebruikt in de sfeer van vrij verkeer van goederen (thans art. 28 en 29 VWEU).3 In de zaak Leclerc overwoog het HvJ dat de export van in Frankrijk uitgegeven boeken naar een andere lidstaat waarbij de boeken vervolgens weer naar Frankrijk zouden worden geïmporteerd, valt onder het vrije verkeer van goederen.4 Het HvJ voegde daaraan toe dat dit niet geldt
‘wanneer uit objectieve omstandigheden zou blijken dat de betrokken boeken enkel zijn uitgevoerd met het doel ze opnieuw in te voeren teneinde een wettelijke regeling als de onderhavige te ontduiken.’5