Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.3.4
5.3.4 Motivering van beperkingen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie reeds HR 28 november 1978, NJ 1979, 150.
HR 9 maart 2010, NJ 2010, 161; HR 23 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9202.
In HR 22 juni 1993, NJ 1994, 498, r.o. 6.5.1 was de afwijzing van een verzoek niet gemotiveerd. AG Meijers zag hierin een grond voor cassatie. De Hoge Raad oordeelde dat de reden voor de afwijzing duidelijk was, aangezien de getuigen het slachtoffer van een verkrachting en haar zus waren. Onder die omstandigheden was het oordeel van het gerechtshof ook zonder nadere motivering duidelijk. Vermoedelijk zou de Hoge Raad daar na HR 6 juli 2010, NJ 2010, 509 in dit specifieke geval anders over hebben gedacht. Volgens Wöretshofer (T&C Sv 2013, art. 330, aant. 2) behoren alle beslissingen op verzoeken van de verdachte te worden gemotiveerd, al mag die motivering over het algemeen heel beknopt zijn.
Sinds HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.75 zal het enkele hanteren van de verkeerde maatstaf niet meer tot cassatie leiden. Er is overigens niets op tegen om een getuigenverzoek op grond van artikel 328 jo. 315 Sv te beoordelen op grond van het verdedigingsbelang. Als het verdedigingsbelang de oproeping niet eist, zal die al helemaal niet noodzakelijk zijn. Zie bijvoorbeeld HR 25 maart 2008, NJ 2008, 210. De Hoge Raad heeft wel bezwaar tegen toepassing van het noodzakelijkheidscriterium wanneer de wet voorschrijft dat het verdedigingsbelang moet worden beoordeeld. Zie bijvoorbeeld HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7083. Wanneer in zo’n geval de rechter het verzoek afwijst omdat oproeping ‘niet noodzakelijk [is] voor enige in deze zaak te nemen beslissing en de verdachte door de afwijzing in redelijkheid ook niet in zijn belangen [is] geschaad’ valt de Hoge Raad daarover niet, omdat in dat geval óók aan het juiste criterium is getoetst. Zie HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ1763.
Zie bijvoorbeeld HR 22 december 2009, NJ 2010, 31 (verdedigingsbelang) en HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8640 (noodzakelijkheid).
In HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.76 overwoog de Hoge Raad dat de motivering van het getuigenverzoek en de motivering van de afwijzing daarvan functioneren als communicerende vaten. Zie ook de noot van Corstens onder HR 22 juni 1993, NJ 1994, 499, onderdeel 3.3 van de conclusie van AG Machielse bij HR 18 maart 2003, ECLI:NL:HR: 2003:AF3828 en HR 6 april 2010, NJ 2010, 219, r.o. 3.4.2. Zie ook HR 3 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6949, r.o. 3.3: ‘In het licht van de door de verdediging betrokken stelling dat de verdachte de portemonnee heeft gevonden, is de afwijzing van het verzoek om de getuige [betrokkene 1] te horen, ontoereikend gemotiveerd’.
HR 14 september 1992, NJ 1993, 53. Rechters moeten hun bewoordingen overigens voorzichtig kiezen, omdat zij nog geen oordeel mogen laten blijken met betrekking tot de schuld van de verdachte. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 25 november 2002, ECLI:NL: GHARN:2002:AF1034. Het gerechtshof in die zaak had een getuigenverzoek afgewezen, omdat het de verklaring van de getuige betrouwbaar achtte, aangezien deze werd bevestigd in ander bewijsmateriaal. Het hierop volgende wrakingsverzoek werd toegewezen.
In HR 1 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2689 wilde de raadsman een getuige vragen stellen met betrekking tot diens deskundigheid op het gebied van brommers. Deze getuige had verklaard dat hij een ‘kleine zwarte brommer, vermoedelijk van het merk Gilera’ had zien rijden. Het gerechtshof heeft het getuigenverzoek afgewezen met het argument dat niet aannemelijk was geworden dat de getuige enige deskundigheid had op het gebied van scooters. Nu de desbetreffende getuigenverklaring een belangrijke rol speelde als bewijsmiddel, vond de Hoge Raad deze motivering onbegrijpelijk. Zie ook HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0473 en HR 19 september 1994, NJ 1995, 11, waarin het niet geschaad worden in het verdedigingsbelang ondeugdelijk was gemotiveerd.
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 442.
De zittingsrechter hoeft geen beslissingen te nemen op verzoeken die bij de rechter-commissaris zijn gedaan. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 7 april 2011, ECLI:NL:RBAMS: 2011:BQ3268. Dat is in overeenstemming met de Straatsburgse jurisprudentie: EHRM 1 februari 2005, appl.no. 47579/99 (dec.) (Raichinov/Bulgarije).
Opmerkelijk is dat artikel 290 Sv een soortgelijke motiveringsverplichting niet geeft voor de zittingsrechter.
HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263. Zie ook HR 13 januari 1998, NJ 1998, 464.
Dat gebeurde in HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4383. Het gerechtshof had betoogd dat bepaalde vragen niet relevant waren en had de beantwoording daarvan belet. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de genoemde feiten en omstandigheden niet kon worden gesteld dat de vragen niet relevant waren. Zie ook HR 28 juni 1983, NJ 1983, 798, r.o. 4.3.
Motivering van afwijzing getuigenverzoek
De beslissing om een getuigenverzoek af te wijzen moet voldoende worden gemotiveerd. Voor afwijzingen op grond van de artikelen 264 en 288 Sv geeft de wet aan dat een ‘met redenen omklede beslissing’ moet worden genomen.1 Voor de afwijzing van verzoeken op basis van artikel 328 jo. 315 Sv bevat de wet geen motiveringsverplichting. Dat betekent echter niet dat motivering achterwege kan blijven. Ontbreekt een motivering, dan kan de Hoge Raad niet vaststellen welke maatstaf het gerechtshof heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek en of de toepassing daarvan begrijpelijk is. Om deze reden zal de Hoge Raad kunnen casseren.2 Desondanks zal het ontbreken van een motivering niet altijd tot cassatie leiden, omdat het in sommige gevallen heel duidelijk is om welke reden een verzoek is afgewezen.3
De rechter zal de juiste maatstaf voor de beoordeling van het getuigenverzoek moeten hanteren.4 Voor zover hij dat heeft gedaan, onderzoekt de Hoge Raad de begrijpelijkheid van de afwijzing van het getuigenverzoek. Daarbij kan de motivering van belang zijn. Wanneer een afwijzende beslissing zonder motivering niet begrijpelijk is, zal de Hoge Raad kunnen casseren.5 De omvang van de vereiste motivering zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak. In veel gevallen zal het volstaan met de vaststelling dat de noodzaak van het getuigenverhoor niet is gebleken niet voldoende zijn en zal een nadere motivering moeten worden gegeven waaruit blijkt waarom die noodzaak niet is gebleken. Of zo’n nadere motivering vereist is, zal in het bijzonder afhangen van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.6 In NJ 1993, 53 was de verdachte veroordeeld wegens het besturen van een auto onder invloed van alcohol. Hij was na een ongeval op de bestuurdersplaats van de auto aangetroffen. Hij betoogde echter dat niet hij, maar een ander de auto had bestuurd. De ander had de plaats van het ongeval verlaten en hij was zelf op de bestuurdersplaats terechtgekomen omdat hij had geprobeerd aan die kant de auto te verlaten. De receptioniste van een hotel had verklaard dat de persoon die door de verdachte als bestuurder werd aangewezen ten tijde van het ongeval in het hotel was geweest. De raadsman had ter zitting om oproeping van deze persoon als getuige verzocht, onder andere omdat niet kon worden uitgesloten dat hij het hotel toch had verlaten. Het gerechtshof had dit verzoek afgewezen met het argument dat de noodzakelijkheid hiervan niet was gebleken. De Hoge Raad vond deze motivering te summier: ‘Gelet op de verklaring van de verdachte en op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd behoefde ’s hofs oordeel dat de noodzaak van het als getuige horen van P.W. niet is gebleken evenwel nadere motivering.’7 Uiteraard moet de gegeven motivering de beslissing ook kunnen dragen.8 In de hiervoor besproken zaak had de verdachte een alternatief scenario gegeven en wilde hij de getuige ondervragen om dat scenario aannemelijk te maken. Dat gebeurde ook in een andere zaak. Daarin mocht het gerechtshof volgens de Hoge Raad echter oordelen dat het alternatieve scenario zo onaannemelijk was, dat het getuigenverzoek op die grond mocht worden afgewezen.9
Ten aanzien van getuigenverzoeken die bij de rechter-commissaris zijn gedaan, bepaalt artikel 208 lid 2 Sv dat de afwijzing van een verzoek bij met redenen om klede schriftelijke beschikking moet worden medegedeeld aan de verdachte en de officier van justitie. Hierbij past de relativering dat het ondervragingsrecht niet geschonden zal worden wanneer een afgewezen bij de rechter-commissaris gedaan getuigenverzoek niet is herhaald ter zitting.10
Motivering van beperkingen bij feitelijke ondervraging
Het Wetboek van Strafvordering geeft bij slechts twee soorten beperkingen een verplichting tot motivering van de toepassing ervan. Wanneer de rechter-commissaris besluit het vragen naar bepaalde persoonsgegevens van de getuige achterwege te laten op grond van artikel 190 lid 3 Sv, moet hij deze beslissing op grond van artikel 190 lid 4 Sv motiveren.11 Daarnaast bepaalt artikel 187d lid 2 Sv dat de rechter-commissaris de redenen voor het geheimhouden van antwoorden opgeeft. Artikel 187b lid 2 Sv bepaalt weliswaar dat het beletten van een antwoord in het proces-verbaal moet worden vermeld, maar verplicht de rechter-commissaris niet tot het opgeven van de reden daarvoor.
Wanneer de wet een motiveringsplicht bevat en daaraan niet is voldaan, zal de Hoge Raad doorgaans casseren. Wanneer de wet geen uitdrukkelijke motiveringsplicht geeft, kan het ontbreken van een motivering toch problematisch zijn wanneer een beslissing niet zonder meer begrijpelijk is op grond van de feiten en omstandigheden van een zaak. Ontbreekt een motivering, dan zal de Hoge Raad daarom toch kunnen casseren.12 Is onverplicht wél een motivering gegeven, dan zal deze de beslissing ook moeten kunnen dragen, omdat anders wegens een motiveringsgebrek zal worden gecasseerd.13
Toetsing aan EVRM
In § 2.9 is uiteengezet dat beslissingen die leiden tot beperking van het ondervragingsrecht moeten worden gemotiveerd, tenzij de reden voor de beperking voldoende kan worden afgeleid uit het vonnis of arrest. De gevallen waarin de Nederlandse rechter beslissingen moet nemen op getuigenverzoeken en beslissingen moet motiveren zijn in overeenstemming met de Straatsburgse uitgangspunten. De omvang van de motiveringsplicht is in beginsel ook gelijk. In § 3.4 heb ik echter betoogd dat de Hoge Raad in bepaalde gevallen niet van de feitenrechter verlangt dat deze motiveert waarom geen alternatieve verhoorvormen konden worden ingezet. Op dat punt schieten de motiveringseisen die de Hoge Raad stelt, te kort.