Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.2.2.1.3
7.6.2.2.1.3 Parkeerruimte: aard en inrichting of gebruik?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291666:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het onderscheid tussen onroerende goederen die naar hun aard en inrichting bestemd zijn voor het parkeren van een voertuig en onroerende goederen die dat niet zijn, is ontleend aan het beleid dat de Staatssecretaris van Financiën sinds 25 juli 2009 hanteert (besluit van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23, paragraaf 7.4.3, ingetrokken en vervangen door het besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3). Op grond van dit beleid kwalificeert de verhuur van eerstgenoemde onroerende goederen als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen, tenzij het gebruik als parkeerruimte tussen partijen is uitgesloten. Voor deze onroerende goederen is dus de aard (d.w.z.: qua inrichting) van het onroerend goed beslissend, tenzij het gebruik conform die aard is uitgesloten. De verhuur van onroerende goederen die naar hun aard niet bestemd zijn voor het parkeren van een voertuig is geen verhuur van parkeerruimte voor voertuigen, tenzij partijen zijn overeengekomen om dit onroerend goed voor de overeengekomen periode uitsluitend als parkeerruimte voor voertuigen te gebruiken (bijv. kassen waarin caravans worden gestald of een weiland dat gebruikt wordt als parkeerruimte voor auto’s). Voor deze onroerende goederen is dus niet de aard van het onroerend goed, maar het overeengekomen gebruik beslissend. Waarop de Staatssecretaris van Financiën dit onderscheid baseert, is uit zijn beleid niet af te leiden. Wat uit dit beleid wel af te leiden is, is dat het criterium ‘aard (en inrichting)’ ook volgens de Staatssecretaris kennelijk niet (altijd) volstaat (in soortgelijke zin: Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80).
HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80, m.nt. Bijl.
Ook Bijl twijfelt aan de richtlijnconformiteit van het oordeel van de Hoge Raad (Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80). Anders: Redactie V-N, aantekening bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, V-N 2017/11.14, Merkx, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, FED 2017/59 en Gruson, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, NLF 2017/0373.
HvJ EG 13 juli 1989, zaak 173/88, FED 1990/72, m.nt. Bijl, r.o. 17 (Morten Henriksen).
Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80 en M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 8. Anders: Redactie V-N, aantekening bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, V-N 2017/11.14.
Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80 en M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 8.
M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 8.
Een garagebox is normaliter een kale ruimte die niet beschikt over bijzondere voorzieningen (Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80). De geschiktheid van een garagebox als parkeerruimte voor een voertuig is gelegen in zijn afmeting (die moet groot genoeg zijn om hierin een auto te kunnen parkeren) en een garagedeur (die het mogelijk maakt dat een auto naar binnen gereden kan worden). Ook een self storage box kan - self storage boxen zijn er in allerlei afmetingen - groot genoeg zijn om hierin een auto te parkeren en beschikken over een roldeur. Een self storage box die aan deze ‘garageboxcriteria’ voldoet is naar mijn mening een soortgelijk onroerend goed als een garagebox.
HR 20 april 2018, nr. 16/03303, BNB 2018/127, m.nt. Van Zadelhoff.
M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 8 en Redactie V-N, aantekening bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, V-N 2017/11.14.
In soortgelijke zin: Bijl, noot bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, BNB 2017/80. In het verleden was dit ook het standpunt van de Staatssecretaris van Financiën. In de resolutie van 31 januari 1979, nr. 279-1252, V-N 1979, p. 362 nam hij het standpunt in dat van verhuur van parkeerruimte voor voertuigen geen sprake was indien de huurder van de garage- of autobox over het gehuurde ook kan beschikken voor andere doeleinden dan het parkeren van een voertuig. Deze resolutie heeft de Staatssecretaris ingetrokken bij zijn besluit van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23. Als reden hiervoor is vermeld dat het beleid zou zijn verouderd. Waarom het beleid verouderd is, vermeldt de Staatssecretaris van Financiën niet (M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 7).
Die opvatting betekent niet dat ik de aard en inrichting irrelevant acht. Naar mijn mening zou de aard en inrichting van het verhuurde onroerend goed kunnen dienen als een weerlegbaar bewijsvermoeden. Is het verhuurde onroerend goed naar zijn aard en inrichting bestemd voor het parkeren van een voertuig dan is, behoudens tegenbewijs, sprake van de verhuur van parkeerruimte voor een voertuig. Is het verhuurde onroerend goed naar zijn aard en inrichting niet bestemd als parkeerruimte voor een voertuig dan is, behoudens tegenbewijs, geen sprake van de verhuur van parkeerruimte voor een voertuig. Laatstgenoemd bewijsvermoeden ligt overigens reeds besloten in de beleidsopvatting dat de verhuur van onroerende goederen die naar hun aard niet bestemd zijn om te worden gebruikt als parkeerruimte geen verhuur van parkeerruimte voor voertuigen is, tenzij partijen zijn overeengekomen om dit onroerend goed voor de overeengekomen periode uitsluitend als parkeerruimte voor voertuigen te gebruiken (besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.3).
Art. 44, § 3, 2°, sub a, tweede streepje Wetboek van de BTW.
Redactie V-N, aantekening bij HR 10 februari 2017, nr. 15/04877, V-N 2017/11.14 en M. van der Wulp, ‘Garagebox-arrest: aard, gebruik en staart’, BtwBrief 2017/36, p. 8.
Het Hof van Justitie heeft duidelijk gemaakt dat het begrip ‘parkeerruimte voor voertuigen’ alle oppervlakken voor het parkeren van voertuigen omvat. Maar de vraag wanneer sprake is van een oppervlak voor het parkeren van voertuigen, is door het Hof van Justitie nog niet beantwoord. In Nederland heeft de Hoge Raad zich gebogen over de vraag of de verhuur van garageboxen die blijkens de huurovereenkomst bestemd zijn om te worden gebruikt als garage/bergruimte kwalificeert als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord zonder hierover een prejudiciële vraag te stellen. Naar zijn oordeel is het een acte clair dat de verhuur van garageboxen, die wat betreft hun aard en inrichting bestemd zijn voor het parkeren van voertuigen en waarvan contractueel niet is uitgesloten dat zij als parkeerruimte voor een voertuig worden gebruikt, aangemerkt moet worden als de (van rechtswege belaste) verhuur van parkeerruimte voor voertuigen.1 De Hoge Raad verwijst in dit kader naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie waaruit volgt dat een uitzondering op de vrijstelling voor verhuur van onroerend goed ruim moet worden uitgelegd.2
Naar mijn mening had de Hoge Raad (wel) een prejudiciële vraag moeten stellen.3 Uit het Morten Henriksen-arrest volgt dat iedere verhuur van oppervlakten voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garageboxen, als de verhuur van parkeerruimte voor voertuigen moet worden beschouwd.4 Of de verhuur van garageboxen ook als de verhuur van parkeerruimte voor een voertuig moet worden aangemerkt indien is overeengekomen dat de huurder de garagebox ook als bergruimte mag gebruiken, kan uit dit arrest niet worden afgeleid.5 Daarnaast heeft het Hof van Justitie in het Leichenich-arrest, waaraan de Hoge Raad in het geheel niet refereert, het (overeengekomen) gebruik van de woonboot beslissend geacht voor de uitleg van het (unie)begrip ‘voertuig’ (zie paragraaf 7.6.2.2.2). Of dit ook geldt voor de uitleg van het (unie)begrip ‘parkeerruimte’ kan uit dit arrest niet worden afgeleid, maar uitgesloten is dit niet.6 Omdat de Hoge Raad ondanks de redelijke twijfel heeft nagelaten om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, is hij gehouden om dit in een voorkomend geval alsnog te doen.
Naar mijn mening leidt voormelde uitleg van het begrip ‘parkeerruimte’ door de Hoge Raad tot onwenselijke uitkomsten. Die uitleg betekent namelijk dat de verhuur van twee identieke garageboxen die door de huurders op grond van de huurovereenkomst als bergruimte mogen worden gebruikt verschillend wordt behandeld naargelang in de huurovereenkomst (lees: op papier) het gebruik van de garagebox als parkeerruimte voor een voertuig al dan niet is uitgesloten. Naar mijn mening is deze verschillende btw-behandeling in strijd met de concurrentieneutraliteit.7 Daarnaast concurreert de verhuur van een garagebox die door de huurder als bergruimte mag worden gebruikt ook met de verhuur van self storage boxen die geschikt zijn voor het parkeren van een voertuig.8 Door de uitleg van de Hoge Raad is de verhuur van garageboxen die als bergruimte (mogen) worden gebruikt per definitie belast zolang het gebruik als parkeerruimte voor een voertuig in de huurovereenkomst niet is uitgesloten, terwijl de verhuur van self storage boxen in beginsel vrijgesteld is.9 Naar mijn mening leidt dit tot een verstoring van de concurrentieneutraliteit.10 Die verstoring zou zich niet voordoen indien het overeengekomen gebruik van het onroerend goed in alle gevallen – en dus niet alleen bij onroerend goed dat naar zijn aard en inrichting niet bestemd is als parkeerruimte voor een voertuig – van doorslaggevend belang zou zijn voor de kwalificatie als parkeerruimte.11 Vanuit het oogpunt van het beginsel de fiscale neutraliteit acht ik het daarom wenselijker om niet met twee maten te meten, maar het overeengekomen gebruik altijd beslissend te achten voor de kwalificatie als parkeerruimte.12 Feit is dat de Hoge Raad daarvoor niet heeft gekozen. De Nederlandse wetgever heeft niettemin de mogelijkheid om de concurrentieverstoringen die daarvan het gevolg zijn weg te nemen door de verhuur van bergruimte op grond van 135 lid 2, laatste volzin Btw-richtlijn uit te zonderen van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed, zoals ook België heeft gedaan (zie paragraaf 7.6.4).13 Naar mijn mening verdient het op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit aanbeveling dat de Nederlandse wetgever van die mogelijkheid gebruikmaakt en aldus voormelde onwenselijke gevolgen van de beslissing van de Hoge Raad neutraliseert.14