Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.1
VII.4.2.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242884:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voor aansprakelijkheid is uiteraard ook vereist dat aan de overige elementen van art. 6:162 BW is voldaan. Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder slechts aansprakelijk is indien de eisende partij schade heeft geleden en er causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade. Tot slot bestaat er slechts een verplichting tot schadevergoeding wanneer de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, zie art. 6:163 BW.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. Maeijer (Staleman/Van de Ven). Voor een bespreking van dit arrest, verwijs ik naar § VII.3.2.2.
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen). Ik wijs erop dat de Hoge Raad in deze zaak repte van een ‘persoonlijk voldoende ernstig verwijt’. Deze terminologie bezigde ons hoogste rechtscollege eerder al in HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 m.nt. Maeijer (New Holland Belgium/Oosterhof). Tegenwoordig hanteert de Hoge Raad de norm van een ‘persoonlijk ernstig verwijt’, zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel (TMF); HR 5 september 2014, NJ 2015, 21 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/296 m.nt. Kroeze (Tulip Air); en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/325 m.nt. Kortmann (RCI). Ik leid hieruit af dat de ernstig verwijtmaatstaf van art. 2:9 BW thans een-op-een van toepassing is.
In HR 8 december 2006, NJ 2006, 659; JOR 2007/38 (Ontvanger/Roelofsen) ging het om de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een crediteur van de vennootschap. Dat de ernstig verwijtmaatstaf ook geldt voor aansprakelijkheid jegens de vennootschap en individuele aandeelhouders, bepaalde de Hoge Raad in HR 2 maart 2007, NJ 2007, 240 m.nt. Maeijer; JOR 2007/137 m.nt. Olden (Nutsbedrijf Westland) respectievelijk HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. Maeijer; JOR 2008/260 m.nt. Borrius (Willemsen/NOM).
Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330; JOR 2018/234 (TMF); en HR 5 september 2014, NJ 2015, 22; JOR 2014/325 (RCI). De Hoge Raad oordeelde eerder al in dezelfde zin, zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21; JOR 2008/260 (Willemsen/NOM).
Zie bijvoorbeeld HR 23 november 2012, NJ 2013, 302 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2013/40 m.nt. Van Andel & Rutten (Spaanse Villa). Zoals ik in § VI.5.5 al schreef, rust op de niet-uitvoerende bestuurder onder omstandigheden de plicht te bemiddelen bij conflicten rondom de vennootschap. Deze plicht vloeit voort uit de wettelijke taakopdracht van de niet-uitvoerende bestuurder. Bemiddelt de niet-uitvoerende bestuurder in een dergelijk conflict, dan doet hij dus vanuit de hoedanigheid van bestuurder.
Zie bijvoorbeeld HR 18 september 2015, NJ 2016, 66 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2015/289 m.nt. Kortmann (Breeweg/Wijnkamp c.s.).
Aldus ook HR 5 september 2014, NJ 2015, 22; JOR 2014/325 (RCI).
Zie Sections 171-178 van de Companies Act 2006. De duty of care, skill and diligence is te vinden in Section 174 (1) van de Companies Act 2006.
Zie Section 174 (2) onder (a): “the general knowledge, skill and experience that may reasonably be expected of a person carrying out the functions carried out by the director in relation to the company [cursivering NK].” In gelijke zin Bruce 2018, p. 5-6; Calkoen 2012, p. 99; Coyle 2019, p. 36; Davies & Worthington 2016, p. 480; Goodison 2017a, p. 70; Hellinx, Company Lawyer 2017, 38(1), p. 22; Keay 2014, p. 11 en 257; Strik 2010, p. 117; en Sweeney-Baird, Company Lawyer 2006, 27(3), p. 76.
Re City Equitable Fire Insurance Co Ltd [1925] Ch. 407.
Evenzo Calkoen 2012, p. 97.
Daniels v Anderson [1995] 16 A.S.C.R. 607.
Onder anderen Daniels v Anderson [1995] 16 ASCR 607; en Equitable Life Assurance Society v Bowley [2004] 1 BCLC 433.
Idem Calkoen 2012, p. 109-110; Coyle 2019, p. 33-37; Davies & Worthington 2016, p. 480; Hellinx, Company Lawyer 2017, 38(1), p. 22; Kaey 2014, p. 11; Strik 2010, p. 115-119 en Sweeney-Baird, Company Lawyer 2006, 27(3), p. 76.
Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.2, p. 1208; en Croiset van Uchelen, TOP 2014/242. Zie in gelijke zin ook Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 24.
Zie bijvoorbeeld HR 11 maart 1937, NJ 1937, 899 m.nt. Meijers (Van der Werff/Beleggingstrust), waarin een commissaris succesvol aansprakelijk werd gesteld wegens het bewust verstrekken van veel te gunstige inlichtingen over de NV, waardoor de verweerster werd bewogen tegen een te hoge prijs aandelen te kopen. Zie verder HR 22 december 1961, NJ 1962, 43 m.nt. Hijmans van den Bergh (Ariëns/Van de Loo), waarin een commissaris aansprakelijk was wegens een te lichtvaardig gebruik van zijn bevoegdheid tot schorsing van een bestuurder. Ik wijs er voor de volledigheid op dat het geringe aantal zaken waarin een commissaris succesvol aansprakelijk werd gesteld, niets zegt over het aantal schikkingen dat getroffen is.
Zie hierover uitvoerig hoofdstuk VI.
Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243 m.nt. Willems (Fortis).
Art. 6:162 BW dient als algemene grondslag voor de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder jegens derden. Niet alleen derden, maar ook de vennootschap en individuele aandeelhouders kunnen de niet-uitvoerende bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad aanspreken. De niet-uitvoerende bestuurder is slechts aansprakelijk indien hij in zijn taakuitoefening onrechtmatig handelt en hem daarvan persoonlijk een ‘ernstig verwijt’ treft.1
Dat voor aansprakelijkheid een aan de bestuurder te maken persoonlijk ‘ernstig verwijt’ is vereist, staat niet met zoveel woorden in de wet. Dit vereiste vloeit voort uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Nadat ons hoogste rechtscollege deze hoge drempel voor aansprakelijkheid in het arrest Staleman/Van de Ven introduceerde voor de aansprakelijkheid van art. 2:9 BW,2 bepaalde hij dat de ernstig verwijtmaatstaf ook de norm voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad inkleurt.3 Niet alleen bij interne, maar ook bij externe vorderingen op grond van onrechtmatige daad.4 De ratio achter de toepassing van de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid is dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en voorkomen moet worden dat bestuurders onwenselijk defensief worden in hun handelen.5
Ik wijs er ten overvloede op dat de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid enkel van toepassing is indien de bestuurder in hoedanigheid van bestuurder respectievelijk commissaris handelde. Verrichtte hij onrechtmatige gedragingen in een andere hoedanigheid – zoals die van deskundig bemiddelaar6 of advocaat7 – dan geldt de ernstig verwijtmaatstaf niet.8 Ik laat dit verder rusten.
De hiervoor aangehaalde rechtspraak ziet niet specifiek op de niet-uitvoerende bestuurder. Toch meen ik dat deze rechtsregels ook voor hem relevant zijn. De niet-uitvoerende bestuurder is immers een bestuurder. Dit betekent dat hij slechts op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk is indien de eisende partij stelt en zo nodig bewijst dat hij als bestuurder een onrechtmatige daad heeft gepleegd en hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.9 Persoonlijk, omdat de aansprakelijkheid van art. 6:162 BW individueel van aard is. De vraag of de niet-uitvoerende bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft, moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het is in dit kader interessant te bezien in hoeverre rekening kan worden gehouden met de bijzondere positie van de niet-uitvoerende bestuurder.
De Companies Act 2006 maakt geen onderscheid maakt tussen de executives en non-executives. Op hen rusten dezelfde rechten en plichten, waaronder de duty to exercise care, skill and diligence.10 Dit wil evenwel niet zeggen dat de non-executives een even groot aansprakelijkheidsrisico lopen als de executives. Section 174 (2) van de Companies Act 2006 bevat namelijk zowel een objectieve als een subjectieve toets: “This means the care, skill and diligence that would be exercised by a reasonably diligent person with (a) the general knowledge, skill and experience that may reasonably be expected of a person carrying out the functions carried out by the director in relation to the company, and (b) the general knowledge, skill and experience that the director has.” De executives en non-executives zijn dus onderworpen aan dezelfde norm, maar Section 174 (2) van de Companies Act 2006 biedt ruimte om rekening te houden met de specifieke rol van de non-executive.11
Illustratief is Re City Equitable Fire Insurance Co Ltd.12 In deze zaak had de voorzitter van de board op grote schaal fraude gepleegd. Lord Romer J. oordeelde dat een non-executive director daar niet aansprakelijk voor was vanwege zijn beperkte taak. Hij beoordeelde de aansprakelijkheid van de individuele directors louter aan de hand van een subjectieve maatstaf: “a director need not exhibit in the performance of his duties a greater degree of skill than may reasonably be expected from a person of his knowledge and experience.” Zoals ik al schreef, bevat Section 174 van de Companies Act 2006 thans niet alleen een subjectieve, maar ook een objectieve maatstaf.13
Noemenswaardig is voorts Daniels v Anderson.14 In deze zaak werd de CEO aansprakelijk gehouden voor fraude die was gepleegd door een werknemer. De drie non-executives ontkwamen aan aansprakelijkheid, omdat zij daarvan vanwege hun specifieke rol niet op de hoogte waren en behoefden te zijn.
Wat van een director verwacht wordt, hangt af van de functie hij bekleedt. De bestendige lijn in de jurisprudentie is dat op een executive een zwaardere duty of care, skill and diligence rust dan op een non-executive.15 Dit betekent dat een non-executive director in de regel een minder groot aansprakelijkheidsrisico loopt.16
In Nederland is dat mijns inziens niet anders. In navolging van Assink en Croiset van Uchelen meen ik dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel niet snel een persoonlijk ernstig verwijt treft. Dit betekent dat aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad voor de niet-uitvoerende bestuurder over het algemeen minder snel aan de orde is dan voor een uitvoerend bestuurder.17 Nihil is het aansprakelijkheidsrisico evenwel niet.
In het verleden zijn ook commissarissen succesvol aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:162 BW. Maar het aantal zaken is op de vingers van één hand te tellen.18 Als zelfs commissarissen succesvol aansprakelijk gesteld kunnen worden op grond van art. 6:162 BW, dan kunnen niet-uitvoerende bestuurders dat ook. Ik breng in herinnering dat de niet-uitvoerende bestuurder een uitgebreider takenpakket heeft dan een commissaris.19
In het vervolg van deze paragraaf ga ik in op het aansprakelijkheidsrisico dat de niet-uitvoerende bestuurder loopt. Ik analyseer achtereenvolgens het risico dat de niet-uitvoerende bestuurder loopt om succesvol aansprakelijk te worden gesteld door een schuldeiser van de vennootschap, een individuele aandeelhouder en de vennootschap zelf. Tot slot sta ik stil bij de aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder in de Fortis-zaak.20