Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties
Einde inhoudsopgave
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.3:5.3 Nota Belastingen in de 21e eeuw
Belastingheffing over particulierpensioen en overheidspensioen in grensoverschrijdende situaties (FM nr. 144) 2015/5.3
5.3 Nota Belastingen in de 21e eeuw
Documentgegevens:
dr. B. Starink, datum 01-02-2015
- Datum
01-02-2015
- Auteur
dr. B. Starink
- JCDI
JCDI:ADS345672:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Loonbelasting / Pensioenregeling
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1997/98, 25810, nr. 2.
Kamerstukken II 1997/98, 25810, nr. 2, p. 46.
Kamerstukken II 1997/98, 25810, nr. 2, p. 55.
P. Kavelaars, Loonheffingen en pensioenen: slecht en goed nieuws, WFR 1998/144 (e.v.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de nota Belastingen in de 21e eeuw, een verkenning1 (hierna: de nota) gaat de regering in op de beleidsmatige kaders rondom de fiscale behandeling van pensioenen. De problematiek inzake het verdragsbeleid aangaande pensioenen maakt onderdeel uit van de nota.
Uit de nota blijkt dat de regering, zeker wat betreft pensioenen, vreest voor belastingerosie. Zo merkt de regering op dat “de toenemende mobiliteit van (gepensioneerde) burgers (…) kan leiden tot derving van inkomstenbelasting. In de pensioen- en lijfrentesfeer genieten belastingplichtigen belastinguitstel dankzij de zogenoemde omkeerregel: nu betaalde premies zijn aftrekbaar, terwijl pas in de verre toekomst over uitgekeerde pensioenen en lijfrenten belasting wordt betaald. Bovendien is er een toenemende trend waarbij burgers deze belasting ontgaan door te verhuizen naar landen met zowel een meteorologisch als fiscaal vriendelijker klimaat.”2
Het niet in de belastingheffing kunnen betrekken van pensioenuitkeringen terwijl het EET-systeem is toegepast wordt dus nadrukkelijk als nadeel ervaren. Toch wordt het voordeel van het EET-systeem erkend. “De belastingheffing sluit op die manier goed aan bij het moment waarop het pensioeninkomen feitelijk wordt genoten. Ook is dit de enige manier om de feitelijk genoten pensioenen te belasten en niet een op voorhand berekende pensioenaanspraak die achteraf groter of kleiner kan uitvallen.”3 Maar ondanks dat de regering het wenselijk vindt dat de burger pas belasting betaalt op het moment dat het pensioeninkomen feitelijk wordt genoten, vindt men wel dat “een systeem van oudedagsvoorzieningen de heffingsrechten in internationaal verband moeten zekerstellen”.
De regering merkt hierbij het volgende op: “Het bestaande fiscale regime voor oudedagsvoorzieningen leidt tot belastinguitstel. Daarnaast brengt dit regime mee dat in de uitkeringsfase veelal een lager tarief van toepassing is dan in de opbouwfase. Zowel de heffingsgrondslag als de belastingopbrengst worden daardoor negatief beïnvloed. Daar komt nog bij dat het bestaande regime het risico heeft niet bestand te zijn tegen de groeiende mobiliteit van burgers. Dit kan ertoe leiden dat pensioenuitkeringen en lijfrenten in toenemende mate niet meer in Nederland, maar elders worden belast; veelal in landen met lagere tarieven. Deze ontwikkeling leidt tot een uitholling van de heffingsgrondslag en derhalve tot belastingderving.”
In hoofdstuk 5.1.3 van de nota wordt nader ingegaan op de internationale belastingheffing over pensioenen. Hier wordt nogmaals benadrukt dat na emigratie de burger in het nieuwe woonland belasting betaalt. Omdat de belastingheffing laag of nihil kan zijn, wordt er belang gehecht aan een oplossing. De regering vraagt hiervoor om aandacht in Europees verband.4 De regering wil tegelijkertijd drie wegen bewandelen om de huidige situatie te verbeteren en om de claim van de Nederlandse schatkist te verstevigen:5
Een Europese verordening waarbij het uitgangspunt is dat belastinguitstel legitiem is en dat de daaruit voortvloeiende claim gegarandeerd moet zijn. Een en ander zou zo moeten worden ingericht dat de bezwaren tegen volledige contractsvrijheid wegvallen en dat, indien enigszins mogelijk, wordt voorkomen dat de claim bij emigratie zou vervallen.
Allereerst is het daartoe noodzakelijk dat een heffingsrecht na een verhuizing in de gehele Europese Unie wordt erkend en geldend kan worden gemaakt.
Daarnaast is een adequate informatie-uitwisseling en een goede vorm van invorderingsbijstand vereist.
De tweede mogelijkheid is het aanpassen van bilaterale belastingverdragen. Oplossingsrichtingen zijn de invoering van een verrekenbare voorheffing of het vestigen van een heffingsrecht op naar het buitenland stromende pensioenuitkeringen dan wel het voorbehouden van het Nederlandse heffingsrecht ingeval het woonland feitelijk niet, of zeer matig heft. Dit vergt wel vele jaren van onderhandelingen en is ook afhankelijk van de bereidheid van de verdragspartners, maar dit al ingezette proces levert wel resultaat op.
De problematiek van grensoverschrijding zou verder beperkt kunnen worden door invoering van een stelsel met een voorwaardelijke aftrek van pensioen-/lijfrentepremies en een voorwaardelijke vrijstelling van pensioenaanspraken (conserverende aanslag). De aftrek en vrijstelling worden in zo’n opzet teruggenomen en vertaald in een verschuldigd belastingbedrag op het moment dat (toekomstige) pensioenuitkeringen het Nederlandse belastingregime verlaten. Onderdeel van dit systeem zou kunnen zijn dat men vooraf de keuze heeft om van toepassing van de voorwaardelijke aftrek/vrijstelling af te zien. Wie niet aan de voorwaarden wil voldoen, valt dan buiten het gefaciliteerde regime. Uiteraard moet deze gedachte zo worden vormgegeven dat een dergelijke opzet blijft binnen de grenzen die de Europese regelgeving stelt. Daarover zal ook overleg worden gevoerd met de Europese Commissie.
Kavelaars geeft uitvoerig kritiek op de drie wegen.6 De Europese verordening vereist wat hem betreft een uitgebreid informatie- en controlesysteem en strekt zich niet verder uit dan tot de EU-lidstaten. Hij is er een voorstander van in OESO-verband de kwestie te regelen. Zoals in onderdeel 4.4 is opgemerkt, is dat inderdaad het meest effectief. Voor het aanpassen van de bilaterale verdragen zodat er vaker sprake is van bronheffing, voelt Kavelaars meer. Door de toenemende mobiliteit van mensen hebben de landen min of meer identieke belangen, aldus Kavelaars. Een wijzigingen van de bilaterale verdragen hoeft dus niet lang te duren, zeker niet in de Europese Unie. Voor het onder voorwaarde verlenen van aftrek voelt Kavelaars eveneens weinig. Dit met name vanwege de uitvoeringstechnische complexiteit. Overigens is het maar de vraag of de stelling van Kavelaars dat landen binnen de EU min of meer identieke belangen hebben juist is. Juist pensioenexporterende (veelal koude Noordelijke) landen zullen een belang hechten aan een bronlandheffing en warme Zuidelijke landen (veelal pensioenimporterend) aan een woonlandheffing.
De nota Belastingen in de 21e eeuw is vrij negatief van insteek. De regering meent dat de huidige fiscale behandeling van pensioenen in relatie met het verdragsbeleid tot te veel belastingderving leidt. Deze constatering is juist. Als pensioenen niet in het buitenland belastbaar zouden zijn maar in Nederland, is de opbrengst voor de Nederlandse schatkist inderdaad hoger. De vraag is echter of dit gegeven als verlies moet worden aangemerkt. Anders geformuleerd: moet het EET-systeem als een bij voorkeur gesloten facilitair systeem worden gezien waarbij het min of meer noodzakelijk is om over de uitkeringen te mogen heffen indien de bijdragen niet tot het inkomen zijn gerekend? Deze vraag is aan de orde gekomen in hoofdstuk 3 en zoals gezegd impliceert het hanteren van het EET-systeem niet dat het bronland een voorkeursrecht heeft op het in de belastingheffing betrekken van de pensioenuitkeringen.
De regering constateert dat er na emigratie niet meer over pensioenuitkeringen geheven kan worden en ziet deze budgettaire tegenvaller als een principieel probleem dat opgelost moet worden. Het is raadzaam om echter eerst een principiëler onderzoek te verrichten naar het onderscheid in bronlandheffing en woonlandheffing. Zomaar ingrijpen in de internationaal geaccepteerde woonlandheffing vanwege een vermeend budgettair lek is fiscaaltheoretisch onverstandig.