Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.4.2.3.2
14.4.2.3.2 Nuancering in parlementaire geschiedenis
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232987:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 9, pagina 93. Zie tevens Kamerstukken I vergaderjaar 2009/10, 31 930, nr. D, pagina 30 – 31. De wetgever trekt hier overigens de parallel met de situatie waarin geen inbreng heeft plaatsgevonden te ver door, aangezien zijn formulering impliceert dat de uitkering uit het APV gebaseerd is op een handeling van de inbrenger of de erfgenamen. Vanuit een civielrechtelijk perspectief is het uiteraard de bestuurder van het APV die handelt op basis van een discretionaire bevoegdheid.
Evenzo Hoogwout en Verstijnen, FTV 2013/46, pagina 7.
Daarbij is de vraag in hoeverre het uitkeren van eigen “aandelen” wel tot een consistent system leidt, als ook rekening gehouden wordt met het uitgangspunt van gemeenschappelijke “eigendom” dat de wetgever voor inkomstenbelastingdoeleinden voor ogen staat (nader beschreven in paragraaf 14.3.2.5). Zie hiervoor nader het vervolg van deze paragraaf.
Zie bijvoorbeeld HR 7 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5400, BNB 1993/336 en HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, BNB 2008/92. Zie voorts Wattel, FED 1990/335, die uitgebreid ingaat op het vertrouwen dat ontleend kan worden aan uitlatingen gedaan als medewetgever en de consequenties die daaraan verbonden kunnen worden.
Er van uitgaand dat het jaarlijkse rendement van het APV 4% is en de uitkering van € 100.000 steeds aan het begin van het jaar plaatsvindt.
Zie hierover nader paragraaf 15.5.3.
Als de uitkering vermogen omvat dat voor 50% aan Y wordt toegerekend en voor 50% aan Z vloeit dit reeds voort uit de uitkering. In andere gevallen brengt de uitkering naar mijn mening een vervreemding met zich, omdat zich een “vermogensverschuiving” voordoet. Deze “vermogensverschuiving” kan inkomstenbelastinggevolgen hebben, naast de eventuele heffing over een belaste “vervreemdingswinst” als gevolg van de uitkering (vergelijk in dit verband tevens het voorbeeld in paragraaf 14.3.2.5).
De wetgever is echter van mening dat het voornoemde effect zich niet in alle gevallen voordoet. In de parlementaire geschiedenis wordt een voorbeeld gegeven van inbrenger X, die een irrevocable trust instelt en vervolgens overlijdt met achterlating van zijn twee dochters Y en Z als erfgenamen voor gelijke delen. Y en Z worden geacht het trustvermogen ieder voor de helft geërfd te hebben. Vervolgens wordt de trust opgeheven en krijgen Y en Z ieder de helft van het trustvermogen. Van deze uitkeringen wordt gezegd dat het niet zo is dat Y voor 50% van zichzelf verkrijgt en voor 50% van Z, en vice versa, maar dat Y en Z uitsluitend hun eigen deel krijgen. Dit zou volgen uit de systematiek van de wet. De wetgever geeft aan dat in algemene zin gesteld kan worden dat iedere inbrenger, of diens erfgenamen na zijn overlijden, zonder heffingsgevolgen zijn deel uit het APV kan halen, mits ieders bezittingen en schulden goed geadministreerd zijn en de handelwijze controleerbaar is.1
Deze uitkomst is mijns inziens echter niet in overeenstemming met de tekst van artikel 17 lid 1 SW;2 dat schrijft voor dat Y inderdaad voor 50% (onbelast) van zichzelf verkrijgt en voor 50% (belast) van Z en vice versa. Hoewel het standpunt van de wetgever in deze mij redelijk voorkomt, vindt dit dus geen steun in de wettekst. Het beroep op de wetssystematiek kan bovendien naar mijn mening deze uitkomst, in weerwil van de duidelijke wettekst, niet dragen.3 Een belastingplichtige kan zich uiteraard in een dergelijke situatie met een beroep op de parlementaire geschiedenis op het standpunt stellen dat geen schenkbelasting verschuldigd is. Ik vraag mij echter af of dit standpunt succesvol zal zijn. Aan een uitlating van de staatssecretaris tijdens het wetgevingsproces kan in beginsel geen vertrouwen worden ontleend, tenzij de staatssecretaris niet optreedt in de hoedanigheid van medewetgever, maar als uitvoerder.4 Aangezien beide opmerkingen van de staatssecretaris zijn gemaakt in reactie op vragen van de Kamerleden en bovendien weinig concreet zijn, zodat directe toepassing op de situatie van een specifieke belastingplichtige moeilijk is, treedt de staatssecretaris hier mijns inziens op als medewetgever. Zijn opmerkingen kunnen dan nog dienen tot wetshistorische interpretatie van artikel 17 SW. De tekst hiervan is in mijn ogen echter helder en interpretatie van de bepaling, waarbij de uitkomst afwijkt van de duidelijke tekst, lijkt me niet aan de orde. Overigens is, zelfs indien een succesvol beroep op de parlementaire geschiedenis mogelijk zou zijn, dit een verre van elegante benadering en het heeft in hoge mate de voorkeur dat de wetgever het systeem van het onder omstandigheden zonder heffing van schenkbelasting kunnen ontvangen van een eigen “aandeel” uit een APV, dat hij kennelijk voor ogen heeft, nader uitwerkt en vastlegt in een wettelijke regeling.
Daarnaast speelt de vraag hoe dit uitkeren uit “aandelen” zich verhoudt tot de gemeenschappelijke “eigendom” die voor inkomstenbelastingdoeleinden tot uitgangspunt is genomen en die via aanknoping bij de toerekening van artikel 2.14a Wet IB 2001 ook kan doorwerken in de Successiewet 1956. Er zijn gemakkelijk varianten op het voorbeeld van de wetgever te bedenken waarin dit spanningsveld zich op een of meerdere vlakken voordoet, doordat de uitkering van of uit een “aandeel” aan de één tot heffing van inkomstenbelasting bij een ander leidt, zoals geïllustreerd kan worden aan de hand van het volgende voorbeeld.
Voorbeeld: opheffing van het APV na tijdsverloop
X stelt een APV in en overlijdt vervolgens met achterlating van twee erfgenamen, te weten zijn kinderen Y en Z. Het is de bedoeling van X dat Y en Z in beginsel per saldo evenveel uit het APV ontvangen. Na het overlijden van X blijft het APV enkele jaren voortbestaan. Het APV-vermogen bedraagt € 5.000.000 op het moment van overlijden van X en in de loop van tien jaar ontvangt Y een jaarlijkse uitkering van € 100.000.5 Z ontvangt niets. Na tien jaar besluit de bestuurder van het APV om het APV op te heffen. Het APV-vermogen bedraagt nu bijna € 6.000.000.6 Opheffing van het APV door uitkering aan Y en Z van hun eigen “aandeel” stuit echter op de volgende complicaties:
Wat is überhaupt de omvang van ieders aandeel? Ieder 50% van het op het moment van opheffing aanwezige vermogen lijkt mij in elk geval niet het juiste antwoord, aangezien dan geen rekening gehouden wordt met de uitkeringen die Y ontvangen heeft. € 2.500.000 uitkeren aan Y en € 3.500.000 aan Z lijkt me echter ook niet zuiver. Dan wordt weliswaar rekening gehouden met de uitkeringen die Y ontvangen heeft, maar niet op het rendement dat Y hiermee heeft kunnen behalen. Men kan stellen dat een groter deel van het door het APV behaalde rendement aan Z toekomt en dat Y bij de laatstgenoemde verdeling dus te veel ontvangt. Om dit te ondervangen zou echter daadwerkelijk een administratieve “verdeling” van het APV-vermogen tussen Y en Z aangebracht moeten worden. Dit brengt de nodige administratieve lasten met zich. Afgezien daarvan geeft een dergelijke verdeling aanleiding tot de vraag of de “verdeling” af kan doen aan het discretionaire karakter van het APV.7
Bij de opheffing van het APV kan wellicht rekening gehouden worden met de uitkeringen aan Y en de meer indirecte gevolgen daarvan, maar artikel 2.14a Wet IB 2001 gaat hier aan voorbij. Hiervoor wordt het uitgangspunt van gemeenschappelijke “eigendom” gehanteerd. Dat heeft als gevolg dat, afhankelijk van welk vermogen aan Y wordt uitgekeerd en de box waarin dit valt, bij een uitkering sprake kan zijn van een belaste vervreemding door Z aan Y. Daarnaast blijft de toerekening mijns inziens ook na de uitkering 50% aan ieder.8 Er zijn althans geen indicaties in de parlementaire geschiedenis dat hier de gemeenschappelijke “eigendom” niet langer van toepassing zou zijn. Als gevolg hiervan is Y gedurende de periode dat het APV bestaat inkomstenbelastingplichtig met betrekking tot een deel van het vermogen dat, als bij de opheffing rekening gehouden wordt met de uitkeringen en rendementen daarop, uiteindelijk aan Z wordt uitgekeerd.
Kortom, de omstandigheid dat uitkeringen zijn gedaan leidt tot een spanningsveld tussen een uitkering van de “aandelen” waar ieder volgens een zuivere verdeling “recht” op zou hebben en het voor de inkomstenbelasting gehanteerde uitgangspunt van gemeenschappelijke “eigendom”.