Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.10.3.7:6.10.3.7 Nadere toelichting op en evaluatie van de aangepaste capital allocation approach
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.10.3.7
6.10.3.7 Nadere toelichting op en evaluatie van de aangepaste capital allocation approach
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300799:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe verhoudt de aangepaste capital allocation approach zich tot de overige aftrekbeperkingen van de rente? Naar het mij voorkomt, kan de regeling met betrekking tot hybride schulden niet worden gemist (zie paragraaf 6.10.3.5).
Kan art. 10a vervallen indien het aangepaste art. 10d wordt ingevoerd? Nu in het aangepaste art. 10d geen aftrek meer wordt verleend als sprake is van een tekort aan vreemd vermogen, behoudt art. 10a naar mijn mening in beginsel zijn bestaansrecht. Dit geldt evenzeer voor art. 10b. Binnen de aangepaste capital allocation approach is verder geen rol weggelegd voor art. 12c aangezien het niet in deze benadering past om de vergoedingen op schuldvorderingen op groepsvennootschappen (grotendeels) vrij te stellen.
De mogelijkheid om de vergoedingen die in een jaar op grond van art. 10d niet in aftrek kunnen komen, voort te wentelen naar volgende jaren, roept de vraag op of een voorschrift in de Wet VPB 1969 moet worden opgenomen om de handel in vennootschappen met een art. 10d, lid 2-claim tegen te gaan. Een dergelijke bepaling zou gebaseerd kunnen worden op art. 20a Wet VPB 1969, dat betrekking heeft op de handel in verlieslichamen. Deze kwestie en andere vraagstukken die betrekking hebben op de samenloop tussen het aangepaste art. 10d en andere bepalingen van de Wet VPB 1969 (behoudens de andere aftrekbeperkingen van de rente, de rentebox en de deelnemingsvrijstelling) worden in dit onderzoek echter niet behandeld.
Hoe verhoudt de aangepaste capital allocation approach zich tot de zuivere capital allocation approach? Aan een aftrekbeperking van de rente is in hoofdstuk 1 de randvoorwaarde gesteld dat economisch dubbele belastingheffing over de rente in binnenlandse verhoudingen moet worden vermeden. Bestaat het concern alleen uit Nederlandse vennootschappen, dan kan in tegenstelling tot de zuivere capital allocation approach dubbele heffing over de rente optreden. Een beperking van de aftrek van de rente bij een concernvennootschap die is ondergekapitaliseerd, wordt namelijk niet gecompenseerd door een extra aftrek van de rente bij concernvennootschappen die zijn overgekapitaliseerd. Wel wordt de dubbele heffing gemitigeerd doordat de vennootschap die wordt geconfronteerd met de aftrekbeperking de niet-aftrekbare rente kan voortwen-telen naar volgende jaren. De voortgewentelde rente kan dan in aftrek komen indien deze vennootschap in het desbetreffende jaar in voldoende mate is overgekapitaliseerd. Dat brengt echter met zich dat een andere groepsvennootschap in dat jaar moet zijn ondergekapitaliseerd en dus wordt geconfronteerd met de aftrekbeperking. Het is met andere woorden onder de vigeur van het aangepaste art. 10d niet mogelijk om de situatie te bereiken dat economisch dubbele belastingheffing over de rente in binnenlandse verhoudingen wordt vermeden. In zoverre is de aangepaste capital allocation approach inferieur ten opzichte van de capital allocation approach. Om deze reden zal de aangepaste capital allocation approach verder buiten beschouwing worden gelaten.