Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.6.1:11.3.6.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.6.1
11.3.6.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602982:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
IJ.F.A. van Vijfeijken en HJ.P. te Niet, ‘De houdstervennootschap en de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de SW 1956’, WFR 2005, p. 1693.
Rapport werkgroep ‘Modernisering successiewetgeving’, ‘De warme, de koude en de dode hand’, 13 maart 2000.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbondenheidsbegrip van art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956 wijkt af van veel andere fiscale verbondenheidsbegrippen, omdat het is gebaseerd op het (mede) bepalen van het beleid van een ‘deelneming’. De begrippen ‘deelneming’ en ‘beleid’ zijn overigens niet nader omschreven in art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956.
Volgens Stevens (2005) lijkt het erop dat voor het begrip ‘deelneming’ moet worden aangesloten bij de definitie van art. 13 Wet VPB 1969. In dit verband menen Van Vijfeijken en Te Niet dat bij een 100%-belang in een dochtervennootschap, de beleidsbepalende functie besloten ligt in de omvang van het aandelenkapitaal.1 In het rapport van de Commissie Moltmaker is echter opgemerkt dat het niet past om voor de consolidatie aan te knopen bij het bezit van een bepaald minimumpercentage van de deelneming.2 Volgens de commissie gaat het juist om het direct of indirect bemoeien met het ondernemingsbeleid van de deelneming. Indien de bemoeienis niet of slechts marginaal aanwezig is, is er volgens de commissie sprake van een belegging, waarvoor de faciliteit niet is bedoeld.
Stevens geeft ook aan dat het onduidelijk is in welke mate de holding het ‘beleid’ van de deelneming moet kunnen bepalen. Hij meent dat de beleidseis niet zover gaat dat de holding ook bestuurder van de deelneming moet zijn. Voldoende zou zijn dat de holding de zeggenschapsrechten die aan de aandelen zijn verbonden, in vrijheid kan uitoefenen. Wanneer de holding met andere aandeelhouders een aandeelhoudersovereenkomst of stemovereenkomst heeft gesloten, betekent dit volgens Stevens niet automatisch dat de holding niet langer het beleid kan bepalen.
De beleidseis is nader toegelicht in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 10 oktober 2007, nr. CPP2007/383M, V-N 2007/49.23. Op basis van dit besluit kan ervan worden uitgegaan dat aan deze eis wordt voldaan, indien de holding onmiddellijk of middellijk ten minste 50% van het nominaal geplaatste kapitaal van de deelneming bezit, of het bestuur voert over de deelneming. Onder het bezit van aandelen wordt hierbij mede verstaan het bezit van certificaten van aandeel, mits de certificaten voldoen aan de voorwaarden van het besluit van 23 november 2006, nr. CPP2006/2674M, V-N 2006/65.14. Dit besluit is beschreven in hoofdstuk 6.
In het besluit van 10 oktober 2007 heeft de Staatssecretaris van Financiën vooruitlopend op een wetswijziging ook goedgekeurd dat de toerekeningsregel eveneens geldt indien de erflater of schenker tot het moment van overlijden respectievelijk schenking via de holding middellijk ten minste 5% van het nominaal geplaatste kapitaal bezat in de deelneming.
Op basis van art. 35b lid 2 en 4 SW 1956 geldt een ruime invulling van het begrip aandelen die behoren tot een ‘aanmerkelijk belang’. Hiertoe worden bijvoorbeeld ook optierechten in de zin van art. 4.4 Wet IB 2001 gerekend. Van Vijfeijken en Te Niet denken dat ook de kwaliteit van de aandelen kan bijdragen aan de beïnvloeding van het beleid. Ze vragen zich hierbij af of het voldoende is indien bepaalde benoemingsrechten zijn verbonden aan de aandelen. De positie van (cumulatief) preferente aandelen achten zij onduidelijk. Stevens gaat er echter vanuit dat een holding die preferente aandelen houdt in een werkmaatschappij, waarmee zij een beleidsbepalende invloed kan uitoefenen, ook kwalificeert voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Deze visie lijkt bevestigd in het hiervoor genoemde besluit van 10 oktober 2007.