Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/4.9.3
4.9.3 'Alternatief' model
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS497237:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Stoffel-Munck 1999, nr. 415.
TGI Grenoble 31 januari 2002.
CA Versailles 15 september 2005.
Zeker is dit echter niet daar het gebrek aan wederkerigheid kan worden gerechtvaardigd: TGI Parijs 21 februari 2006.
CA Parijs 15 juni 2001; TGI Niort 9 januari 2006.
TGI Grenoble 7 september 2000: `il y a lieu de dire que, bien que la rédaction de cel article 7 des conditions générales ne soit pas en elle-même directement contraire à la disposition h de 1 'annexe intitulé 'clausen visées au troisième alinéa de l'article L. 132-1 (...),' il apparaft que cel emplacement d'une clause majeure parmi les petites lignes des conditions générales zend à conférer à F un avantage créant un déséquilibre significatif en faveur du professionnel.'
Calais-Auloy 2006, p. 192: 'La notion de bonne foi est une notion trap imprécise pour être directement utilisée.'
Cass. Civ. 3' 2 april 2003, nr. 01-14774, Bull. civ. 2003 III, nr. 78, p. 71.
CA Aix-en-Provence 10 mei 1996. De rechter had tevens het bestaan van een excessief voordeel voor de gebruiker aangenomen maar dat mocht niet baten.
Cass. Civ. 1' 17 november 1998, nr. 96-17341, Bull. civ. 1998 I, nr. 322, p. 223. Volgens de Cour de cassation is er sprake van schending van het recht, i.c. art. 1134 Cc, omdat dit artikel niet zo ver reikt. In gelijke zin: Cass. Civ. 1' 13 november 1996, nr. 94-17369, Bull. civ. 1996 I, nr. 399, p. 279.
259. Een 'alternatief' model houdt in dat wanneer een beding bij de toetsing aan art. L.132-1lid 1 C.conso. de ene toepassing van het verstoringscriterium doorstaat, een tweede toepassing als vangnet fungeert. Dit model is voordelig voor de consument. Deze beschikt immers over een vanuit het oogpunt van de consumentenbescherming gunstige vangnettoets.
Diagram 4.3
Toets 1 zou een abstracte verstoringstoets kunnen vormen en toets 2 een meer concrete verstoringstoets. Ook denkbaar is dat toets 1 de inhoudelijke oneerlijkheid vooropstelt en toets 2 de procedurele oneerlijkheid.
260. De in par. 4.7.2 genoemde tegenstrijdigheid tussen de wijzen van toetsen aan enerzijds de decreten (abstract) en anderzijds art. L.132-1lid 1 jo. lid 5 C.conso. (concreet) is volgens Stoffel-Munck het resultaat van het feit dat `des choix fondamentaux ont été omis'.1 Een `unité de méthode' kan zijns inziens slechts worden geschapen door de verschillende toetsingswijzen hiërarchisch in te delen: de rechter houdt bij de uitoefening van de toets eerst rekening met de decreten alvorens, zo nodig, tot een concrete toetsing over te gaan.2 Deze roep om een `alternatieve' toetsingssystematiek krijgt nog meer betekenis nu het aantal zwarte bedingen in 2009 aanzienlijk is toegenomen.
In de Franse rechtspraak zijn de overeenstemming met het wettelijk kader (inclusief het niet voorkomen van een beding in een decreet)3 en het formele contractsevenwicht meestal doorslaggevend. Uitzondering vormt een uitspraak waarin een beding, dat in overeenstemming met art. 1134 Cc de partijen dezelfde ontbindingsrechten toekende (reciprociteit), toch als oneerlijk werd bestempeld. De consument, die in beginsel in een zwakkere positie verkeert, werd door de ruime ontbindingsrechten aan een groter nadeel blootgesteld dan de gebruiker, doordat hij niet meer verzekerd was van de nakoming van de door hem nagestreefde prestatie (`économie du contrat').4 Andersom zou de eenzijdigheid van het beding mogelijk beslissend zijn geweest.5 Van een 'alternatieve' toetsingssystematiek is in de lagere rechtspraak echter nauwelijks sprake.
261. De vraag rijst echter in hoeverre naar Frans recht sprake is van een `alternatief' toetsingsmodel bestaand uit enerzijds een inhoudelijke en anderzijds een procedurele invulling van het verstoringscriterium. Voor een dergelijk model pleit dat de onbegrijpelijke formulering van het beding in het contract soms voldoende is om de oneerlijkheid van een beding vast te stellen (hypothese 2a', par. 4.6.4).6 Uit de praktijk blijkt dat deze procedurele toets ook daadwerkelijk als 'vangnet' is gehanteerd, in de zin dat een naar zijn inhoud als eerlijk aangemerkt beding op grond van art. L.132-1 C.conso. om procedurele redenen werd uitgeschakeld (hypothese 2b', par. 4.6.4). Een beding dat niet voldeed aan de definitie van onder h Europese lijst (inhoudelijke toets) was door de manier waarop het was weggestopt binnen het contract (procedurele toets) niettemin oneerlijk.7 Het gaat hier echter niet om een wijdverspreide aanpak.
262. In deze paragraaf wordt de systematiek onderzocht van de open norm die dient ter omzetting van art. 3 lid 1 richtlijn. Toch is het, in het verlengde van het `alternatieve' model, interessant om na te gaan of de norm uit art. L.132-1 samenloopt met een andere norm en zo ja, of tussen die normen sprake is van `altemativiteit'. De goede trouw uit art. 1134 Cc vormt in Frankrijk geen zelfstandige grond ter bestrijding van oneerlijke bedingen. Het beginsel is volgens Calais-Auloy te open en ongedefmieerd om als een rechtstreekse toetsingsgrondslag te worden gebruikt.8 Er is geen sprake van samenloop tussen art. 1134 Cc en L. 132-1. Een te vergaande inmenging van de rechter in de verhouding tussen de contractspartien op grond van art. 1134 Cc wordt niet geduld door de Cour de cassation.9 De uitschakeling in lagere instantie10 van een oneerlijk, want eenzijdig, aansprakelijkheidsbeding op grond van art. 1134 Cc is in cassatie teruggedraaid.11