De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.2.1:2.1 Het effect van de richtlijn
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.2.1
2.1 Het effect van de richtlijn
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384018:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Benchmarking working Europe, European Trade Union Institute (ETUI) 2007; zie ook Kamerstukken II 2010-2011, 32 705, nr. 3, p. 2.
Impact assessment van de Europese Commissie (SEC 2008, 2166), p. 38.
Stoop e.a. 2008, p. 13. Zie ook Van het Kaar en Smit 2006, p. 130-139.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het effect van de richtlijn is betrekkelijk vaak geëvalueerd. Uit onderzoek blijkt dat in circa een derde van de ondernemingen die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen een Europese ondernemingsraad is opgericht, die twee derde van de werknemers van die ondernemingen vertegenwoordigt.1 Vanwege de subsidiaire voorschriften leiden in de praktijk verreweg de meeste onderhandelingen tot oprichting van een Europese ondernemingsraad gebaseerd op een Europese ondernemingsovereenkomst. Het komt zelden voor dat onderhandelingen niet tot een overeenkomst leiden en de subsidiaire voorschriften van toepassing zijn, zo blijkt uit een evaluatie van de Europese Commissie.2 Uit datzelfde onderzoek blijkt dat zowel bestuurders als werknemersvertegenwoordigers toegevoegde waarde zien in de Europese ondernemingsraad. Een meerderheid van bestuurders in ondernemingen waarin zo’n raad is ingesteld geeft te kennen dat de voordelen opwegen tegen de kosten. Het stelt hen in staat om informatie over de strategie en redenen voor belangrijke besluiten te delen met de werknemers. De Europese Commissie constateerde wel dat bij de toepassing van de richtlijn knelpunten zichtbaar werden, onder meer bestaande uit onvoldoende informatie en raadpleging bij belangrijke besluiten, een relatief klein aantal ondernemingen waarin een Europese ondernemingsraad is ingesteld, rechtsonzekerheid bij (interpretatie van) de bepalingen uit de richtlijn en onvoldoende samenhang tussen de verschillende richtlijnen over medezeggenschap van werknemers.
Uit onderzoek naar het functioneren van de Europese ondernemingsraad in Nederland blijkt dat het nalevingspercentage zich boven het Europese gemiddelde bevindt: ruwweg de helft van Nederlandse concerns met een communautaire dimensie heeft een Europese ondernemingsraad. Ook dit onderzoek laat knelpunten zien. Vooral de communicatie binnen de Europese ondernemingsraad en met zijn achterban is een moeizaam proces; werknemers zijn niet met het bestaan van de Europese ondernemingsraad bekend of zijn er nauwelijks in geïnteresseerd.3 De meest voorkomende klacht van Europese ondernemingsraden is dat ze niet of te laat worden geïnformeerd of geraadpleegd. Hun effectiviteit als middel om invloed op het beleid uit te oefenen werd in een grote meerderheid van de ondernemingen als gering gekwalificeerd. Het overleg tussen de Europese ondernemingsraad en het hoofdbestuur kent een relatief geringe frequentie van 2,5 bijeenkomsten per jaar.
Dit beeld strookt met hetgeen naar voren kwam in gesprekken die ik met vertegenwoordigers van enkele internationale concerns voerde. Het hoofdbestuur is in het algemeen niet bereid tot overleg met de Europese ondernemingsraad totdat het besluitvormingsproces nagenoeg voltooid is. Hetzelfde geldt voor het contact met de raad van commissarissen: zijn leden spreken pas met de Europese ondernemingsraad wanneer de besluitvorming in hoofdlijnen op orde is. Naast de geringe bekendheid met het bestaan van de Europese ondernemingsraad werden vaak het relatief lage opleidingsniveau van de leden en het geringe vermogen tot strategisch denken genoemd. Het functioneren van het beperkte comité van de Europese ondernemingsraad is daarom van belang: dit comité vormt vaak een buffer tussen het hoofdbestuur en de (voltallige) raad. Bij belangrijke strategische besluiten krijgt hij vaak de gelegenheid een opinie te geven, maar het hoofdbestuur vindt dit niet strikt noodzakelijk. De waarde van (de opinie van) de Europese ondernemingsraad ligt vooral in het verkrijgen van draagvlak en de communicatie met werknemers; zijn invloed op het strategisch beleid is geregeld vrijwel nihil.