Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VIII.4.4
VIII.4.4 Bijzondere besluiten
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178703:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
MüKoGmbHG/Limpert 2018, § 61 GmbHG, Rn. 53.
Zie Perales Viscasillas 2009, p. 286-287.
Zie Hanotiau 2004, p. 103-104 en 108-109.
Zie A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 10 november 2006, NJ 2007/ 561, m.nt. Snijders, JOR 2007/5, m.nt. Sanders (Groenselect), onder 2.7, Boersma in zijn noot onder datzelfde arrest (JBPr 2012/32, onder 8) en Meijer 2011a, p. 320.
Art. 1020 lid 3 Rv kent deze formulering niet langer, maar is inhoudelijk gelijk aan art. 621 (oud) Rv. Zie Kamerstukken II 1983/84, 18 464, nr. 3, p. 4 (MvT Arbitragewet 1986).
Vgl. Meijer 2010, par. 2 en GS Burgerlijke Rechtsvordering/Snijders 2018, art. 1020 Rv, aant. 4.4.
Zie GS Rechtsvordering/Snijders 2018, art. 1020 Rv, aant. 4.1.2 en 4.4.
HR 19 december 2014, NJ 2015/231, m.nt. Van Schilfgaarde (Rifgat), rov. 5.2.7, waar de Hoge Raad oordeelt dat de herroeping van een ontbindingsbesluit in verband met de rechtszekerheid en de gevolgen voor derden slechts rechtsgevolg heeft indien ‘de rechter’ een daartoe strekkende uitspraak heeft gedaan.
Zijn alle besluiten arbitrabel? Schiedsfähigkeit II onderscheidt niet tussen verschillende soorten besluiten, zodat een scheidsgerecht naar Duits recht zelfs bijvoorbeeld een ontbindingsbesluit kan aantasten.1 In andere landen bestaat over de arbitrabiliteit van dit soort ingrijpende besluiten discussie.2 Zelfs in het arbitragevriendelijke België en Frankrijk is omstreden of een scheidsgerecht kan oordelen over het ontstaan en het einde van de rechtspersoon.3
Ik zie evenwel geen reden om de arbitrabiliteit van bepaalde besluiten uit te sluiten. Sommige schrijvers4 wijzen op art. 621 (oud) Rv, dat arbitrage over ‘geschilpunten die de staat van een persoon aangaan’ voor onmogelijk hield.5 Als onder deze frase al de ‘staat van de rechtspersoon’ te begrijpen is,6 dan overtuigt dit als argument voor non-arbitrabiliteit niet. Wie de arbitrageprocedure door middel van strenge voorwaarden processueel gelijk stelt aan de gang naar de overheidsrechter, heeft geen reden terug te schrikken voor de uiterste consequenties. De openbare orde noch de exclusiviteit van de bevoegdheid van de overheidsrechter staan in het algemeen in de weg aan arbitrage.7 Ook speelt – anders dan bij familierechtelijke zaken – de bescherming van zwakke partijen geen rol. Voorts waarborgt het vertegenwoordigingsrecht de positie van derden (zie § 2.2). Dit betekent dat ook een besluit tot herroeping van een ontbinding voor arbitrage vatbaar moet zijn, anders dan de Hoge Raad in Rifgat suggereert.8