Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.3
7.3 Definitie van certificering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232846:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk ook Eisma, preadvies 1990, pagina 54, die opmerkt dat het geven van een sluitende, algemeen geldende definitie van certificaten van aandelen niet mogelijk is.
In het algemeen kan een onderscheid gemaakt worden tussen certificering tegen goederen en certificering tegen contanten, zie paragraaf 7.4. In beide gevallen is het evenwel zo dat goederen overgedragen worden aan de STAK.
Al dan niet als fysiek stuk; veelal zal slechts sprake zijn van opname van de certificaathouder in een register van certificaathouders.
Specifieke omstandigheden, zoals een blokkeringsregeling, kunnen uiteraard nog wel aan daadwerkelijke certificering in een specifiek geval in de weg staan.
Afhankelijk van het doel van de certificering kunnen er ook andere belangen zijn die gediend moeten worden en die onder omstandigheden ook zwaarder kunnen wegen dan die van de certificaathouder, zie paragraaf 7.8.2.
Van der Grinten, preadvies 1964, pagina 7.
Treurniet, preadvies 1964, pagina 86 – 87.
Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 18.
Van Helden, KWEP 1997/3, pagina 11.
I.I. Lentze en A. Kroon, Doelvermogens in de estate planning, S&V 2002/1, pagina 11.
A.D.G. Heering, De Stichting Administratiekantoor als Familiestichting, FTV 2005/9, paragraaf 2.
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/658.
P.A. Stein, GS Vermogensrecht, artikel 3:259 BW, aantekening 2.2.
M.A.M. van Steensel, Handboek Stichting en Vereniging (red. J.J.A. Hamers, C.A. Schwarz en D.F.M.M. Zaman), Uitgeverij Paris Zutphen 2015, pagina 441.
G.P. Oosterhoff, Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang, Wolters Kluwer Deventer, dissertatie 2017, pagina 116. Hierbij is interessant om op te merken dat in zijn visie ook sprake kan zijn van certificering indien slechts een deel van de uitkeringen op het gecertificeerde goed (maar kennelijk wel alle waardemutaties) voor rekening en risico van de certificaathouder komen.
Certificering is een flexibele rechtsfiguur, die in vele verschillende gedaanten kan voorkomen. Dat maakt haar ook moeilijker in een eenduidige definitie te vangen.1 De essentiële kenmerken van certificering zijn de volgende:
de (aspirant)certificaathouder draagt goederen2 over aan de STAK;
in ruil voor deze goederen reikt de STAK certificaten uit aan de certificaathouder;3
de STAK is aldus juridisch gerechtigd tot het gecertificeerde vermogen geworden, maar zij houdt dit vermogen ten titel van beheer;
de certificaathouder is (slechts nog) in economische zin gerechtigd tot de gecertificeerde goederen, alsmede de opbrengsten daaruit.
De aldus gerealiseerde splitsing tussen juridische gerechtigdheid (zeggenschap) en economisch belang is daarbij mijns inziens de kern van certificering.
Ieder overdraagbaar goed kan voorwerp zijn van certificering.4 De nuance van iedere specifieke certificering, zoals het doel, maar ook de (neven)rechten en verplichtingen van de certificaathouders, worden per geval nader ingevuld in de statuten van de STAK en de administratievoorwaarden. Gezien de tussen de STAK en de certificaathouder gesloten beheersovereenkomst, zal de STAK haar eigendomsrecht in elk geval mede in het belang van de certificaathouder moeten uitoefenen.5
De wet geeft geen omschrijving van certificering, maar in de parlementaire geschiedenis van de geschillenregeling heeft de Minister van Justitie hierover het volgende gezegd:
Certificering is een constructie waarvan […] de materiële inhoud eindeloos kan variëren. Het lijkt niet goed mogelijk daarvoor in de wet een deugdelijk kader te scheppen.6
In de literatuur zijn uiteraard in de loop der tijd verschillende definities van certificering gegeven; ik ben bekend met definities van certificering van Van der Grinten7, Treurniet8, Van den Ingh9, Van Helden10, Lentze en Kroon11, Heering12, Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme13, Stein14, Van Steensel15 en Oosterhoff16.
In de meeste van deze omschrijvingen komen de genoemde elementen van certificering terug, zij het dat in mijn ogen bij sommige een wat sterke focus ligt op bijvoorbeeld de vormen die het certificaat kan aannemen.
Zelf zou ik, in aanmerking nemend dat de kern van certificering de splitsing tussen juridische gerechtigdheid en economisch belang is, de volgende definitie van certificering willen geven:
Certificering is de overeenkomst die als rechtsgevolg heeft dat goederen juridisch toekomen aan de een, terwijl deze de goederen ten titel van beheer houdt voor rekening en risico van de ander (ten bewijze waarvan de juridisch gerechtigde certificaten heeft uitgegeven).