Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/4.3.1
4.3.1 De verhouding met art. 14 Grondwet: een vorm van onteigening?
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS602296:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1986-1987, 18 904, nr. 11; Handelingen II 1987, 41, p. 2366. De aanleiding hiervoor was van een brief van de Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI). Het eerste lid van art. 14 Grondwet luidt: ‘Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.’
Kamerstukken II 1986-1987, 18 904, nr. 15; Handelingen II 1987, 41, p. 2366 e.v.; Handelingen I 1988, 16, p. 497.
Koekkoek (1982), p. 299 e.v.; Houwen (1988), p. 21; Bovend’Eert (2004), p. 31 e.v.; Van der Pot (2006), p. 429 e.v.
Evenzo Van der Grinten (1991), p. 3; A-G Mok in zijn conclusie (overweging 4.2.4.3.) onder HR 11 september 1996, NJ 1997/176; JOR 1996/113 (Nationale Nederlanden); Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/678; Bulten (2011), p. 39; Assink (2013), p. 2409-2410.
OK 13 april 2010 (ro. 4.6), JOR 2010/184 (Getronics); HR 11 september 1996 (ro. 4.5), NJ 1997/ 176; JOR 1996/113 (Nationale Nederlanden).
Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW rees als snel de vraag of de regeling niet in strijd was met de onteigeningsbepaling van art. 14 lid 1 Grondwet.1
De minister stelt naar mijn mening terecht dat dit niet het geval is.2 Hoewel de Grondwet geen definitie bevat van het begrip onteigening, staat vast dat het in ieder geval om een publiekrechtelijk handelen moet gaan.3 De uitkoopregeling daarentegen betreft een zuiver privaatrechtelijke verhouding, waarbij de overheid geen partij is. Er is bij de gedwongen overdracht dus geen sprake van een onteigening in de zin van art. 14 Grondwet.4
Bovendien geldt voorts dat een rechter niet kan treden in de grondwettigheid van een wet in formele zin zoals de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW en de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW.5